Nog heel veel vragen

Het was jaren geleden dat ik een jeugdboek las. Toen ik zag dat Het geheime logboek van Topnerd Tycho van Corien Oranje en Cees Dekker verschenen was, heb ik het direct besteld en gelezen. Ik werd snel in het verhaal getrokken en ik heb het met plezier gelezen. Ik denk ook dat het boek dat een rol zal vervullen in het proces dat gaande is in de meningsvorming rond Bijbel en evolutie.

 

We maken volgens mij een wonderlijke verschuiving mee. Er was een tijd dat ieder die positief of instemmend over de evolutietheorie sprak in orthodox-protestante kring verdacht werd van Schriftkritiek en ongeloof. Dat laatste is een groot kwaad in de christelijke kerk, dus je liep het gevaar buiten de kring van de kerk te raken. Gedurende vijftien, twintig jaar zien we dat er ruimte wordt gevraagd voor de positie dat je én orthodox christen kunt zijn én de evolutietheorie kan waarderen en toepassen. Die ruimte komt er en dat gaat gepaard met het onder woorden brengen van de beperking van de claim die wetenschap kan doen (zij gaat niet over God) en de beperking die de Bijbel kent (hij gaat niet over wetenschap). Intussen is, naar mijn inschatting, voor een steeds groter deel van de gelovigen het ‘theïstisch evolutionisme’ niet slechts aanvaardbaar, maar krijgt zij de voorkeur. De oude positie wordt steeds minder plausibel geacht en de verdedigers ervan krijgen de indruk dat nu hun positie onder druk komt te staan. Minder zwaar verdacht als de ‘evolutionisten’ voorheen, dat wel: zij zijn eerder dom dan Schriftkritisch of ongelovig. Zij nemen met te grote woorden een positie in die niet meer kan.
Ik geef mijn schets graag voor beter, maar als er nu iets van waar is, dan plaats ik Het geheime logboek van Topnerd Tycho in dit proces: nu in de volwassen discussie de verschuiving zo breed is geworden dat het om een groeiende groep gaat, wordt de blik nu gericht op de opgroeiende generatie. Zij worden via een jeugdboek vertrouwd gemaakt met het steeds meer geaccepteerde gedachtegoed.

 

Tegen deze achtergrond vind ik het boek sterk en zwak tegelijk. Het sterke is dat op een vlotte wijze een veelheid aan argumenten worden geboden voor een positieve verbinding van de resultaten van eerlijk wetenschappelijk onderzoek en Bijbels geloof. Het zwakke vind ik dat de rollen niet eerlijk verdeeld zijn tussen voorstanders en tegenstanders. Dat meester Jan Jaap de rol heeft van begeleider naar meer kennis en inzicht, dat snap ik. Maar om een moeder de bezwaren tegen de evolutie te laten verwoorden, terwijl een gepromoveerde hoogleraar de ‘goede’ antwoorden mag geven, heeft iets zwaks. De moeder van Anna wordt ook wat onsympathiek neergezet, omdat zij haar gelegenheid voor een bijdrage over paarden misbruikt. Zij blijkt dan een drammer te zijn. Bovendien zit de negatieve emotie aan de kant van de bezwaarden. De rust en de verwondering zit aan de kant van de verdedigers van de evolutie. Als er nu ook eens een gepromoveerde hoogleraar de bezwaren had geformuleerd, had dan niet sterker benadrukt kunnen worden dat er nog een en ander te onderzoeken is, aan beide kanten? Nu lijkt het alsof de mensen met bezwaren niet anders aan de toekomst kunnen bijdragen dan door het laten varen van hun moeiten en het aannemen wat de anderen al weten.

 

De rol van de dominee draagt daaraan ook wat bij, vind ik. Hij treedt tweemaal op en dient in het verhaal om de geestelijke of kerkelijke legitimatie te geven van de positie van het theïstisch evolutionisme. Hij komt met de kadertheorie – die ons leert dat Gods scheppingswerk-via-evolutie wordt ingekleed in het kader van de ons bekende weekindeling – en weet zo de spanning te verminderen of weg te nemen. Voor mijn gevoel net te gemakkelijk. Laat ik twee punten noemen.
Het eerste uit het boek Genesis: in Genesis 1 wordt onderscheid gemaakt tussen Gods directe scheppen (“Er moet licht komen.” 1,3) en zijn indirecte (“Overal op aarde moet jong groen ontkiemen.” 1,11). De bijbelschrijver wist dat God direct én indirect kan werken. Er is bij het scheppingsproces dus meer aan de hand dan dat God via een bepaald natuurlijk proces alles laat ontstaan. De kadertheorie verwerkt dat niet als zij stelt dat Genesis 1 een manier van zeggen is over een proces dat wij nu snappen als een serie natuurlijke oorzaken. Waar in het evolutionaire proces kun je Gods directe ingrijpen aanwijzen? Of bestaan er geen wonderen?
De tweede kwestie is, dat op verschillende plaatsen in het Nieuwe Testament de lijn van en naar Adam als eerste mens de verstaanshorizon is, het ijkpunt. Denk aan het geslachtsregister van Jezus (Lukas 3,23-38) en de woorden van Paulus, zowel gericht tot christenen (Romeinen 5,12-21) als tot niet-christenen (Handelingen 17,26). Hoe ontkom je eraan om daar nu van te zeggen dat die teksten een soort ‘leermodel’ vormen, of de weergave van een beperkte manier van denken van toen? De tekst kan niet meer worden begrepen, zoals hij in eerste instantie lijkt. Nu is dat nog tot daaraan toe (dat kan te maken hebben moet goede uitlegregels), maar veel van de christelijke geloofsleer is nauw verbonden met, of zelfs gestoeld op deze geschiedenisopvatting. De zondeloze periode van het paradijs, de zondeval en de komst van de dood, Jezus als tweede Adam, het nieuwe Jeruzalem als vervulling van het paradijs, en zo meer, het heeft alles daarmee te maken. De verhouding van dat geheel tot de evolutionistische ontwikkeling vind ik eerlijk gezegd niet eenvoudig. Alleen met een kadertheorie kom je er niet. Ik had op dat punt iets meer van de predikant verwacht. Maar dat komt misschien omdat ik er zelf een ben.

 

Naar aanleiding van: Corien Oranje & Cees Dekker, Het geheime logboek van Topnerd Tycho. Heerenveen: Columbus, 2015. Dit artikel werd gepubliceerd op de Opiniepagina van het Nederlands Dagblad van zaterdag 3 oktober 2015, met als kop: ‘Er zijn nog steeds heel veel vragen.’