Muziek vanuit de balzaal

Met mijn broer André schreef ik in 2004 de bundel Muziek vanuit de balzaal.
De bundel werd schitterend vormgegeven door Chiel van de Ven.
Poëzie en proza rond Kerst.

 

 

Maria

 

Het waait en binnen gaat het licht aan.
Zij komt en doet al wat haar hand vindt
om te doen, herstelt wat is kapotgegaan
en zij bereidt zich voor op hem, sinds lang
wacht haar geslacht op de vervulling van
het visioen.

 

Dan overstraalt de hemel haar, zij hoort de
groet die in haar oren klinkt als opdracht
voor het leven. Een enkele vraag, een paar
minuten slechts en zie, zij is bereid: ik zal
mij geven, u bent mijn heer en u bent goed.

 

*

 

Ik was verrast – u hebt het over haar gehad,
haar afkomst en de wijk waarin zij woont;
toch had ik haar beschrijving anders opgevat,
meer aangepast – die ogen, handen, alles toont
een hoge adel.
Ik zag haar staan.

 

Ze keek mij aan. Ik zag geen spoor van angst
of iets van hoogmoed, ze was oprecht verbaasd
en ook alsof ze iets verwachtte; de ontvangst
was voor het leven, zo heeft zij u begroet.
U hebt ons welgedaan.

 

*

 

Het is of alles anders staat.
In huis hangt ander licht,
het ruikt ineens naar voorjaar.

 

Het vuur van het fornuis brandt feller,
gedachten van voorheen zijn weg,
het leven minder saai en
het heeft toekomst.

 

Laat ik beginnen met de vaat,
de potten in mijn handen,
de pannen laat ik drogen,
ik leg wat appels in de mand en –

 

Hoe laat ik het u weten,
dat u mij bewogen hebt?

 

*

 

De engel is weg en de kamer begint weer te ademen. Met het hoofd achterover en gesloten ogen leunt het meisje tegen de muur. Dan vindt het geluid van spelende kinderen haar frequentie. Zullen ze hem pesten? Wat zal hij leuk vinden om te spelen? Zou hij ruzie maken? Misschien wordt hij wel heel knap om te zien, vinden meisjes hem leuk. Wat dan eigenlijk? Moet ik hem nou nog vertellen wie zijn vader is, of zou hij dat weten? Als ze hem maar niet raar vinden. Heel even rent een glimlach over het gezicht van het meisje. Misschien lijkt hij wel op mij.

 

*

 

Jozef

 

Hij bijt zijn eigen lichaam stuk,
zijn eigen vlees zwelt kloppend op
tot zijn gebeente gloeit. Met een ruk
heft hij zijn hoofd, schudt handen op
en neer: de splinter maakt hem gek.

 

Het lijkt of alles anders staat: het juk,
het bed, het bord, de houten kop…
Zal hij het vragen? Het bloed drukt
als een vinger op de zere plek.

 

*

 

Oogbollen onder leden, leden
onder lakens, kaken in de haken
en kiezen op elkaar, heden
langs verleden en eenmanszaken:
ik zag hem draaien in zijn droom

 

en sprak, om hem te overreden,
uw woorden die het lichaam raken
en op het ritme van de geest
ligt hij te waken: nu en loom.

 

*

 

Hu Youssoufaki, haast je,
het land uit naar de woestijn!
Ik heb het kind en moeder naast me,
breng ons naar Gods geheime
schuilplaats, zoals naar Betlehem.

 

Hu Youssoufaki hu, wacht hier
op ons, opdat wij even rusten
in de lange nacht, laatste kwartier
voor hart en ziel dat zelfbewust en
in geloof verwacht wat voorbestemd

 

werd door de Schepper van de aarde.
Hij neemt een rib, Hij maakt van hout
een krib en legt als Koning waardig
op ons een ezelsjuk – genoeg voor nu,
op weg daarom, hu Youssoufaki hu!

 

(Youssoufaki is de naam van Yannakos’ ezel in Christus wordt weer gekruisigd van Niko Kazantzakis).

 

*

 

Avant la lettre

 

Is ze zwanger?
Ja.
Gefeliciteerd zeg!
Tja.
Waanzinnig, dus je wordt vader!
Nee.
Pardon?
Ik niet.
Wat, hoezo?
Ik ben niet de vader.
Dat meen je niet.
Jawel.
Heeft ze een ander?
Nee.
Maar, maar, hoe kan dat dan?
Dat is wat je noemt een mysterie.
Oh. En wat ga je nu doen?
Niks.
Scheiden?
Nee.
Houdt ze het?
Ja.
En dat vind je goed?
Ja.
Jezus!

 

*

 

Volheid van de tijd

 

Hoog, in de balzaal, klinkt muziek
daar danst de engel met de bruid
duizenden lachen honderd uit.

 

Onder de balzaal klinkt muziek
drie koningen in het publiek
en iemand die de noodklok luidt.

 

Vanuit de balzaal klinkt muziek.
Wij huilen hijgend huid aan huid.

 

*

 

Voorzichtig prikte de boer met de loop van zijn geweer in de wolf. Morsdood. Het schapenkarkas met gif had blijkbaar uitstekend gewerkt, want het roofdier was ter plekke neergestort. Een van zijn voorpoten lag haast liefkozend over de kop van het schaap, alsof ze vredig samen lagen te slapen.
De man glimlachte om het bizarre tafereeltje. Heel vroeger, op de zondagsschool had hij ooit een kleurplaat gemaakt die er ongeveer zo uitzag. Een schaap en een wolf gezellig bij elkaar. En daaronder dan de tekst: ‘dan zal de wolf bij het schaap verkeren’. Wanneer ‘dan’ was, wist hij niet meer. Iets met Jezus waarschijnlijk. Hoe dan ook, deze wolf lag alvast goed, moest je maar denken.
Grinnikend hing de man het geweer over zijn schouder en liep met grote passen richting huis. Morgen zou hij de kadavers wel opruimen.
Vanavond was het Kerst.