Moeders mededogen

“Zoals een moeder haar enige zoon met haar leven zou beschermen, zo moge men tegenover alle wezens een onbegrensde geest ontplooien en liefde tegenover de hele wereld.” (Mettā-Sutta, 7)

 

De parabel van de barmhartige Samaritaan is een prachtig verhaal over menselijke sympathie. Dat schrijft Frans de Waal in zijn nieuwste boek: Mama’s laatste omhelzing. (128) De Waal is vermaard bioloog en weet alles van mensapen. Hij kan uitstekend observeren en weet hele zinnige dingen te zeggen over emoties bij apen en mensen. Zijn stelling is dat altruïsme een kenmerk is van zoogdieren. “Om te overleven moeten we eten, de liefde bedrijven en kinderen grootbrengen. De natuur heeft al deze activiteiten aangenaam gemaakt, zodat we ons er gemakkelijk en vrijwillig aan overgeven. De natuur heeft hetzelfde gedaan voor empathie en wederzijdse hulp, door ons een goed gevoel te geven als we goeddoen – het ‘warm gevoel van binnen’-effect van altruïsme.” (123). Elke dag zie je niet voorbeeld van daden van behulpzaamheid, daar heb je de Bijbel niet voor nodig. (130)

 

Dat blijkt ook uit het feit dat in het boeddhisme mededogen een centraal begrip is geworden. Samen met psychiater Howard Cutler schreef de Dalai Lama een over angst, onzekerheid, woede moedeloosheid en zo meer. Dalai Lama zegt over mededogen: “Je zou mededogen in zekere zin kunnen omschrijven als het gevoel van ondraaglijkheid bij het zien van het lijden van andere mensen, het lijden van andere wezens. Teneinde dat gevoel op te wekken, moet je eerst weten hoe ernstig of hoe intens het lijden van een ander is. Ik ben dus van mening dat hoe meer je begrijpt van lijden, en de verschillende vormen van lijden waaraan wij blootstaan, hoe groter je mededogen is.” (134)

 

De bekendste tekst van de Boeddha over mededogen vinden wij in de Mettā-Sutta. Het is te vinden in de Khudakka-Pāṭha, het kleinste van alle boeken in de Pali-Canon. “Het fungeerde waarschijnlijk als een praktisch handboek dat een monnik uit zijn hoofd kende of bij zich droeg en waaruit hij in verschillende situaties, o.a bij leken thuis, kon reciteren,” schrijven de vertalers Jan de Breet, Rob Jansen en Anco van der Vorm. (17) In deze korte tekst wordt de beoefening van de liefdevolle vriendelijkheid direct verbonden aan het streven naar heil. Dat wil zeggen, het ontkomen aan het lijden. Want de eerste boeddhistische, edele waarheid is dat het leven lijden is. Daarbij past een bescheiden en tevreden levenshouding. Zij gaat samen met de wens om de ander gelukkig te zien. Dat geldt elk levens wezen, ongeacht vorm en soort. De Boeddha maakt van de mooie vergelijking van een moeder en haar zoon: “Zoals een moeder haar enige zoon met haar leven zou beschermen, zo moge men tegenover alle wezens een onbegrensde geest ontplooien en liefde tegenover de hele wereld.”

 

Frans de Waal meent dat het geen verrassing is dat vrouwelijke dieren zorgzamer zijn dan mannelijke. Vrouwen hebben er juist moeite mee om geen aandacht voor hun kind te hebben. (121) Dat oer-voorbeeld wordt in de Mettā-Sutta als ideaal voorgesteld voor elk mens: een onbegrensde geest ontplooien betekent dat we geen onderscheid maken tussen ‘binnen’ en ‘buiten’. Het gaat om liefde tot de hele wereld. Het verhaal gaat dat deze wijsheid de Boeddha werd ingegeven op een moment van meditatie. Hij en de monniken werden daarbij gestoord door geesten. Het reciteren van deze tekst veranderde de geesten van verstoorders in helpers. (40) Dat onderstreept dat het natuurlijk altruïsme niet door alle wezens als vanzelf beoefend wordt. Het vraagt inspanning en streven. Maar de waarde ervan gaat ver uit boven andere verdienstelijkheden. “Monniken, welke soorten verdienstelijk handelen door het schenken van materiële goederen er ook bestaan, zij alle zijn nog niet een zestiende deel waard van de bevrijding van het hart bestaande uit liefdevolle vriendelijkheid. Deze overtreft ze en straalt, gloeit en schittert.” (197)

 

“Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is,” heeft de Heer gezegd. (Lukas 6,36) En zijn broer en gezant voegde eraan toe: “Voor God, de Vader, is alleen dit reine, zuivere godsdienst: weduwen en wezen bijstaan in hun nood, en je in acht nemen voor de wereld en onberispelijk leven.”(Jakobus 1,27) De motivatie is hier gegeven met het voorbeeld van God als Vader. Jezus reikt hiermee een eigen motief aan. De persoonlijke betrokkenheid tussen God en mens. Natuurlijk is de empathie met het lijden op basis van gelijkheid in soort, maar daarnaast, daar bovenop zie je de voorbeeldkracht van Gods gedrag: in Jezus toont Hij wat barmhartigheid is. Belangeloze liefde die geeft wat mensen zelf niet kunnen bereiken. Wie zich in dergelijke liefde mag koesteren, kan het vervolgens tonen aan de naaste. Wie met de Boeddha de naastenliefde als natuurlijk ervaart en tot voorbeeld stelt, kan met Jezus Christus de bron ervan vinden: zijn Vader, die even gemakkelijk zich als moeder presenteert: “Want dit zegt de HEER: Ik laat de vrede als een rivier naar haar toe stromen, de rijkdom van alle volken als een overlopende beek, en jullie zullen ervan drinken. Je zult op de heup gedragen worden en worden gewiegd op haar schoot. Zoals een moeder haar zoon troost, zo zal ik jullie troosten; in Jeruzalem zul je troost vinden.” (Jesaja 66,12-13)

 

Naar aanleiding van: Khudakka-Nikāya II. De verzameling korte teksten: Khudakka-Pāṭha, Udāna, Itivuttaka & Cariyāpiṭaka. Vertaald uit het Pali, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Jan de Breet, Rob Jansen & Anco van der Vorm. Rotterdam: Asoka, 2007. Jan de Breet is indoloog, Rob Jansen emeritus hoogleraar klinische psychologie en persoonlijkheidsleer en psychotherapeut. Hij studeerde Pali en Sanskriet. Anco van der Vorm is medisch bioloog en theoloog.

 

Frans de Waal, Mama’s laatste omhelzing: Over emoties bij dieren en wat ze ons zeggen over onszelf. Amsterdam/Antwerpen: Atlas Contact, 2019. Met foto’s en tekeningen van de auteur. Vertaald door Albert Witteveen. Oorspronkelijke titel: Mama’s Last Hug. Animal Emotions and What They Tell Us About Ourselves. New York, W.W. Norton & Company Inc.)

 

Howard Cutler & De Dalai Lama, De kunst van het geluk: Over de zin van het leven.12 (Rainbow Pockets). Amsterdam Muntinga, ’s Gravenhage, BZZTôH, 2005. (Vertaald door Get-Jan Kramer)

 

 

Hier volgt de complete tekst van de Mettā-Sutta:

 

1 Wie op vaardige wijze naar het heil wil streven na de toestand van vrede begrepen te hebben die moet kundig, eerlijk en oprecht zijn, zachtaardig voorkomend en bescheiden.
2 Hij is tevreden matig, niet veeleisend, vrij van zorgen en sober levend; kalm van zinnen en verstandig, bescheiden, niet gretig bij families.*
3 In zijn gedrag zij er niets laags te vinden waardoor anderen, verstandigen hem zouden laken. Mogen de wezens gelukkig zijn en veilig en laten ze alle geluk ervaren in hun hart.
4 Wat voor levende wezens er ook zijn, beweeglijk of onbeweeglijk*, allemaal, of ze nu lang zijn of groot zijn, middelmatig, kort, klein of fors,
5 zichtbaar of onzichtbaar, en of ze ver weg leven of dichtbij, al geboren of naar geboorte strevend –  mogen alle wezens gelukkig zijn.
6 Laat de een de ander niet vernederen, en niemand minachten waar dan ook, laat men elkaar geen leed toewensen uit boosheid of uit vijandigheid.
7 Zoals een moeder haar enige zoon met haar leven zou beschermen, zo moge men tegenover alle wezens een onbegrensde geest ontplooien en liefde tegenover de hele wereld.
8 Laat men een onbegrensde geest ontplooien naar omhoog, naar beneden en rondom, niet benepen, vrij van haat en rivaliteit.
9 Of men nu staat, loopt, zit of ligt, zolang als men vrij is van slaperigheid moet men zijn aandacht hierop richten. Dit noemt men hier een goddelijk verwijlen.
10 Als men geen opinies meer koestert, deugdzaam leeft, begiftigd met inzicht begeerte naar geneugten verdrijft dan gaat men nooit meer tot een moederschoot in.
(Khudakka-Pāṭha, 9)

 

* bij vers 2: wanneer hij op bedelronde is
* bij vers 4: waarschijnlijk zijn hier planten en dieren bedoeld