Moedergodin in de oudheid

“In de omgeving van het huidige Colijnsplaat in Zeeland, aan de zuidelijke oever van de Oosterschelde, moet een havenplaats gelegen hebben met de naam Ganuenta. Hier bevond zich het heiligdom van Nehalennia, die vooral door zeevaarders werd vereerd.” (161) Zo opent Gert van Klinken zijn boeiende verhaal over deze oer-Nederlandse godin in zijn boek Van hunebed tot Bonefatius, over vroege sporen van religie in Nederland. In de jaren 1970-1971 zijn er zo’n driehonderd stenen altaren uit de Oosterschelde gevist. Deze zijn gereconstrueerd in het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden. “Ze ziet er iets jonger uit dan de meeste moedergodinnen (matronae), maar wordt net als deze doorgaans zittend afgebeeld. Soms staat ze echter, met de linkervoet op de voorsteven van een schip. Naast haar bevinden zich op enkele stenen een hond en een mand met appels. De vruchten verwijzen zowel naar bloei als vergankelijkheid.” (162)

 

Het do ut des-principe van veel offerpraktijken werd ook hier zichtbaar. Het doel van het geschenk was het afdwingen van een wederdienst van de godheid. Werd de gunst aan de bidder verleend, dan toonde deze zijn dankbaarheid, bijvoorbeeld door het plaatsen van een altaarsteen. “Het ging om dingen waar de mens zelf geen directe invloed op had: het voorspoedig verlopen van een reis, of vruchtbaarheid. Een verschil tussen de Nehalenniaverering en de offerpraktijk in de prehistorie is de schenking nadat de godin haar gunst had bewezen.“ (162-163) Joris en Eijnatten en Fred van Lieburg melden ons dat zo deze lokale godin een veel bredere betekenis kreeg. “Zo kreeg een lokale godin – onder haar inheemse naam – een interregionale status als beschermster van scheepsbemanning en – lading tegen de gevaren van de zee.” (34-35)

 

Dat is niet opmerkelijk. Vruchtbaarheid en bescherming tegen gevaren zijn universele menselijke verlangens. Zo diep als we terug kunnen kijken in de tijd zijn er sporen verering van moedergodinnen en moeder aarde. Prof. C.J. Bleeker (1898-1983) schreef daarover in 1960 een lezenswaardig populairwetenschappelijk boekje over de moedergodin in de oudheid. “De Moedergodin is een imposante gestalte. Ten onrechte meent men, dat de afstand tot haar geringer is dan tot God, de Heer, de Vader en dat de gelovigen gemeenzaam met haar konden omgaan. De Moedergodin kan ongenaakbaar zijn. Zij was de goddelijke Vrouwe. Zij hield haar aanbidders op eerbiedige afstand. Niemand kon haar wezen doorgronden.” (7)

 

Een van de voorbeelden van de moedergodin is Devi uit de religiegeschiedenis van India. “Typisch Voor-Indisch is de eerbied voor Devī, de godin, ook wel genoemd Mahā-devī, de Grote Godin. In haar wezen vallen drie trekken op: ten eerst zij bezit een tweeslachtige natuur. Zij is bekoorlijk en milddadig, maar ook gruwelijk en wreedaardig. Zij trekt aan en stoot af. Zij wekt genegenheid en vrees. Deze beide aspecten van haar wezen kunnen het best worden aangeduid met de namen Laskhmi en Kālī.”  (128) Zo kennen we uit het Indische pantheon ook Durgā en Kumāri, de shakti van Shiva.

 

Man en vrouw zijn samen vruchtbaar. Op zich al een wonder. Maar in de godsdienstgeschiedenis komen we ook veel de Maagd-Moeder tegen. Zij heeft het leven in zich. Het leven ontstaat vanuit haar, ook zonder toedoen van een man. “Zij is een echt antieke godinnenfiguur,” lezen wij bij prof.  Bleeker, “d.w.z. zij vertegenwoordigt een opvatting van het goddelijke leven, die de mens van de twintigste eeuw niet gemakkelijk doorziet. Zo komt in haar dienst soms de sacrale prostitutie voor, een instelling, die door het zedelijk-godsdienstige besef van de hedendaagse mens wordt veroordeeld. De volken van de oudheid hadden een andere waardering van het seksueel-erotische. De sacrale prostitutie was voor hen geen middel voor het plegen van verkapte loszinnigheid, maar betekende een dienst aan de godin, en zelfs een zware dienst.” (7) Bleeker wijst dat aan bij de Babylonische Isjtar en de Germaanse Freyja. “Een godin [Freyja], die zó de begeerlijkheid opwekt, kan moeilijk ontkomen aan de verdenking, dat zij loszinnig is. De cultus van de godinnen van vruchtbaarheid en liefde gaat dan ook gemeenlijk gepaard met een zekere seksuele ongebondenheid, die men niet met de normen van de puriteinse moraal moet beoordelen, omdat oude volken het seksueel-erotische leven anders waardeerden dan mensen uit de twintigste eeuw.” (105, zie ook 32, 48-49, 50, 80, 82 en 117)

 

Uit de vroege historie van de mens zijn veel beeldjes gevonden, ook van godinnen. Met 10 tot 15 centimeter hoogte denken de deskundigen niet aan een plaats ervan in de tempelcultus. Eerder hadden zij een fetishachtig karakter, amuletten waarvan men een magische werking verwachtten. (13, 15) De keerzijde van vruchtbaarheid is de dood. De eerste religieuze expressie van de homo sapiens begint met rituelen rond de dood. De indruk ontstaat dat ze geloofden in het voortbestaan van de gestorvenen. “Het demonisch karakter van de aardgodin kwam reeds ter sprake. Zij geeft niet alleen, zij neemt ook weer terug. Niet zonder reden vertelden de Grieken, dat Gaia allerlei monsters had voorgebracht, die een gesel der mensen en een bedreiging der goden waren. De aarde herbergt machten, die de kosmische orde kunnen verbreken. Tot die machten behoort ook de dood. Het dodenrijk wordt meestal onder de aarde gelokaliseerd. Ook de doden zijn autochthoon. Maar hun lot is niet te benijden. Hun enige hoop bestaat hierin, dat zij uit de schoot van Moeder aarde wedergeboren zullen worden.” (28)

 

Naar aanleiding van: Dr. C.J. Bleeker, De moedergodin in de oudheid. Den Haag: Bakker/Daamen, 1960.

 

Gert van Klinken, Van hunebed tot Bonefatius: Vroege sporen van religie in Nederland. Zoetermeer: Meinema, 2010. Via google afbeeldingen kun je zien hoe de votiefstenen voor Nehalennia eruitzagen.

 

Joris van Eijnatten en Fred van Lieburg, Nederlandse Religiegeschiedenis.2 Hilversum: Verloren, 2006

 

 

Over de Babylonische Isjtar schrijft prof. Bleeker dat deze godin de vruchtbaarheid bevordert en daarom ‘het minnevuur’ aanjaagt. “De eros, waarvan zij de patrones is, heeft een andere toonaard dan de door de christelijke liefde geheiligde verbondenheid van man en vrouw in het huwelijk. Deze eros is zeker niet ongeestelijk, want zij inspireerde tot het schrijven van gevoelige en fraaie liefdesgedichten, maar de geslachtsdrift spreekt daaruit openlijker. En er is een kant aan, die ons aanstotelijk voorkomt. Dat is de tempelprostitutie, in dienst van Isjtar verricht, d.w.z. de zede, dat priesteressen en ook gewone, eerbare vrouwen zich terwille van deze godin aan tempelbezoekers, voor vreemdelingen, gaven, die blijkbaar de goddelijke partner representeerden. Moderne beoordelaars zien allicht hierin een instelling van ontucht, die met het bordeel uit de nieuwere tijd correspondeert. Wat zeker onjuist is, wanneer men op het idee let, die erachter steekt. Daarover geeft de grote Herodotus  merkwaardige inlichtingen. Hij maakt melding van het, in zijn ogen verwerpelijke, voorschrift dat iedere Babylonische vrouw zich eens in haar leven aan een vreemdeling moet geven. Hij beschrijft, hoe de vrouwen op het tempelterrein zitten te wachten, totdat een vreemdeling haar tot zich roept. Nadat deze vrouwen haar tol aan de godin hebben betaald, kan men, zo voegt hij eraan toe, haar niet meer verleiden, hoeveel geld men ook biedt. Uit deze laatste opmerkingen blijkt, dat men het naleven van deze zede als een offer beschouwde. Ook uit andere gegevens begrijpt men, dat de tempelprostitutie als een zware dienst werd opgevat. Niettemin rezen er blijkbaar reeds in de oudheid bezwaren tegen de wijze, waarop Isjtar de liefde verstond.” (48-49)

 

Herodotos, Historiën, 1,199. Vertaling dr. Onno Damsté, uitgave van Fibula – Van Dishoeck, Bussum, 1974, 76.

 

 

“De afschuwelijkste gewoonte der Babylooniërs is de volgende. Iedere inheemse vrouw moest eens in haar leven zich neerzetten in het heiligdom van Aphroditè en gemeenschap hebben met een vreemdeling. Vele vrouwen, die het beneden haar waardigheid vinden zich onder de andere te begeven, omdat ze zich op haar rijkdom laten voorstaan, rijden naar het heiligdom in overdekte wagens en wachten daarin, terwijl een groot aantal bedienden achter hen aankomt. De meesten gaan als volgt te werk: op het aan Aphroditè gewijde terrein zitten met een krans van strikken om het hoofd vele vrouwen; sommige komen erbij, andere gaan weg. Door de vrouwen heen lopen kaarsrechte paden en de vreemdelingen wandelen daarlangs en doen hun keuze. Wanneer een vrouw daar eenmaal zit, keert zij niet eerder naar huis terug dan nadat een vreemdeling geld in haar schoot heeft geworpen en omgang met haar heeft gehad buiten de tempel. Als hij dat geld werpt, moet hij erbij zeggen: “Ik roep de godin Mylitta aan.” Mylitta is de naam die de Assyriërs aan Aphroditè geven. De geldsom kan van elke grootte zijn; zij mag die namelijk volstrekt niet weigeren, want dat is haar verboden, omdat dat geld gewijd wordt. Met de eerste man, die haar geld toewerpt, gaat zij mee en zij mag niemand afwijzen. Als de gemeenschap heeft plaatsgevonden en zij zich van haar heilige plicht tegenover de godin heeft gekweten, gaat zij weg en naar huis terug en van die dag af kunt ge haar geven zoveel ge maar wilt, maar ge zult haar niet krijgen. Alle vrouwen, die gezegend zijn met schoonheid en een rijzige gestalte, kunnen spoedig terugkeren, maar de lelijke blijven er lange tijd, omdat ze aan de heilige wet niet kunnen voldoen; ja sommige moeten er wel drie of vier jaar blijven, Op enkele plaatsen op Kypros bestaat een overeenkomstig gebruik.”