Mijn vader


Aan het einde van de week neemt hij
en leest een psalm, een lied, steeds weer
die ene over vijanden, de woudos en
over vreemden die beloeren.

 

Onbevreesd is hij zes dagen
aan het werk geweest voor allen,
hem geschonken door de ene:
Vader, Zoon, de Levensgeest,

 

die in de voorhof vaders bloeien laat
geplant, gesnoeid, als palmen groen en fris.
Het woord dat zegt dat er in God
geen onrecht is, leest hij als zijn mandaat.

 

Het is zijn rustpunt tot de jongste dag:
zijn psalm, zijn lied, zijn sabbatdag.

 

*

 

De steen staat op zijn plaats. In de voorhof
ligt mijn vader onder aarde. Tijd nu voor
een fors idee, mooi schoon te houden
rustpunt gevormd uit lagen volle goedheid.

 

We slaan de handen in elkaar en kneden
met psalmen, liederen en gebeden nieuw
leven over bot en been. We kleden elkaar
van top tot teen in de duurste genade.

 

Voor je het weet is het sabbat.