Mijn moeder

Foto: Marja van ’t Hoff-Tempelaar

 

Voordat wij bij God aan tafel gaan
en genieten van zijn welbehagen,
zal ik de dienstdoend engel vragen
waar ik mijn moeder vind. Kijk aan,

 

ik wil dan bij haar stoel gaan staan:
‘Wij gaan de komende paar dagen
het moois dat we nog samen zagen,
delen met pa. Kom ma, we gaan!’

 

Dan loopt die engel over gouden straten
de tuinen in, waar ik mijn moeder vind
met Christus in gesprek. Ik draai mij om.

 

Ik zie hen diep tevreden samen praten,
platen kijken in een boek, zoals een kind
dat doet. Ik hoor de etensbel. Ik kom.

 

     *

 

Als oma kwam, kwam tante Annie mee.
Met oma liepen we naar de eendjes en later,
toen we de leeftijd hadden, zaten wij met haar
in de cinema. Tante Annie las ons voor. Over een
gehandicapte jongen en zijn vrienden en wij luisterden
kritisch: er staat ‘ongelukkig’, en: dat woord is ‘kameraden’.
Tante Annie las ons voor en lachte een beetje
hysterisch. Bij haar graf luisterden wij ademloos,
de gemeente zong: ‘Wat hier ziek is, zucht of kwijnt,
zal daar fris en bloeiend wezen.’