Maaltijd bij het graf

Ik herinner me dat ik opkeek van de rouwgebruiken van de Pakistaanse christenen. Op bepaalde dagen na het overlijden en begraven van een geliefde kwam men weer bij elkaar. In een soort kerkdienst werd de overledene nog eens herdacht, bijvoorbeeld na veertig dagen. En natuurlijk gingen we daarbij eten samen. Ik was dat niet gewend. Zelfs het bezoeken van de begraafplaats is geen gewoonte voor me. Ik ben ooit één keer bij het graf van mijn vader geweest, en dat was omdat mijn dochter mij meevroeg.

 

Augustinus vertelt over de rouwgebruiken in de vroeg-christelijke kerk. Het in de Belijdenissen is hij bezig iets te zeggen over de gehoorzaamheid van zijn moeder. Zij had een hoge bewondering voor bisschop Ambrosius en was bereid hem gehoorzaam te volgen. “Deze verering bleek ook, toen zij naar de grafkapellen van de heiligen, zoals ze dat in Afrika gewoon was, meelbrij en brood en wijn had meegebracht en haar dat toen door de portier werd verboden: zodra ze had vernomen dat dit verbod van de bisschop afkomstig was, aanvaardde zij het met zoveel vrome volgzaamheid, dat zelfs ik met verbazing zag hoe gemakkelijk het haar afging liever haar eigen gewoonte te wraken dan van dit verbod een strijdvraag te maken. … neen, wanneer zij haar korfje met de gebruikelijke etenswaren had meegebracht, die voorgeproefd en uitgedeeld moesten worden, dan zette zij zelfs niet meer dan een klein bekertje wijn neer, volgens haar uiterst sobere smaak met water gemengd, om daar haar huldeteug uit te nemen: ook als er veel grafkapellen van overledenen waren, die zij aldus meende te moeten eren, droeg zij datzelfde bekertje wijn mee rond om het overal neer te zetten en het – terwijl het niet alleen sterk aangelengd raakte, maar ook nog heel lauw werd, in minieme slokjes te delen met het gezelschap dat ze bij zich had: wat zij daar zocht was namelijk vroom eerbetoon, geen genot.” (120; VI ii 2)

 

Achterin het boek legt Gerard Wijdeveld een en ander uit: “De heidense Romeinse wereld had het gebruik gekend van een maaltijd die op bepaalde dagen na een begrafenis, op de verjaardag van de overledene of in de algemene dodenmaand februari door de familieleden en de vrienden van de overledene op of nabij zijn graf werd aangericht om de herinnering aan de dode levendig te houden. Daarbij werden ook voor deze dode, die met min of meer levendigheid als bij het maal aanwezig werd gedacht, spijzen en dranken neergezet, een gebaar dat natuurlijk licht ontaardde in het brengen van dodendoffers. In de overheersend christelijk geworden Romeinse wereld waren deze maaltijden blijven voortbestaan. Ze leidden echter zo vaak tot drankmisbruik en bleken zozeer belast met heidens erfgoed, dat de kerkelijke instanties er steeds meer tegen optraden en toen ook andere eet- en drinkgewoonten ter ere van de overledenen verboden. Ambrosius was daar in Milaan eerder mee begonnen dan zijn Afrikaanse ambtsgenoten in de steden waar Monnica had gewoond.” (noot 5, p. 361-362)

 

Augustinus vertelt dit om haar bewondering voor Ambrosius te verhalen. Zij voegde zich naar zijn verbod, dat was gericht op het alcoholgebruik van drankzuchtige mensen. Maar ook “… ook al omdat de ceremonies de indruk maakten van dodenoffers en heel veel weg hadden van de bijgelovige praktijken van de heidenen… in plaats van een korf vol aardse vruchten had zij geleerd naar de grafkapellen van de martelaren een hart te brengen dat vol was met zuiverder gebeden: zo kon zij niet alleen naar vermogen aan de noodlijdenden geven, maar kon daar dan ook de gemeenschap van het lichaam van de Heer gevierd worden, in navolging van wiens lijden en dood de martelaren zich hebben geofferd en hun kroon hebben verworven.“ (121; VI ii 2)

 

De ‘gemeenschap met het lichaam van de Heer’ vieren, duidt dat op de maaltijd van de Heer? Ligt hier een aanwijzing dat de combinatie van uitvaart en avondmaal (eucharistie) al vroeg als passend werd gevoeld. Ik schreef daarover al elders: “Het lijkt me meer dan wenselijk die nauwe verbinding tussen ons aanvaarden van verlies en het overgeven van de dode aan God te leren zien als vrucht van het lijden, sterven en opstaan van onze Heer. Dat zoiets alleen zou kunnen door middel van het vieren van het heilig avondmaal, dat is een stelling die niet hard te maken valt, dunkt me. Een liturgisch goed doordachte dienst in een familiesamenkomst kan hetzelfde effect hebben. Maar als het bij gelegenheid een officiële kerkdienst is, dan is het tastbare sacrament werkelijk een toevoeging; met goede woorden er omheen, goede liederen vooraf, erbij en daarna.”

 

Naar aanleiding van: Aurelius Augustinus, Belijdenissen.7 Vertaald en ingeleid door Gerard Wijdeveld. Amsterdam: Ambo, 2007

 

 

Twee van de martelaren van de Milanese gemeente waren Protasius en Gervasius. Augustinus meldt dat God via een gezicht aan de bisschop bekend maakte waar hun lichamen lagen. Hun verblijfplaats werd bekend op een treffend moment. De lichamen werden ‘onder passend eerbetoon’ overgebracht naar Ambrosius’ basiliek. Dat ging met wonderen gepaard. Mensen genazen van kwelling door onreine geesten. Er was een blinde inwoner van de stad die vroeg wat er gaande was. Hij vroeg zijn geleider hem te brengen naar de draagbaar te brengen. Daar kreeg hij verlof met zijn zakdoek de baar van de gestorven heiligen aan te raken, ‘wier dood in uw ogen zo kostbaar is’. Met dat hij de doek bij zijn ogen brengt, krijgt hij het zicht terug. “Naar alle kanten rende toen de mare, weerklonk vol gloed en glans uw lof…” Zo werden de acties van Justina, de moeder van de jeugdige vorst Valentinianus, tegen Ambrosius geremd. “Dank aan u, mijn God! Waarvandaan en waarheen hebt gij mijn herdenken geleid om mij u ook deze dingen te laten belijden die ik, zo groots als ze waren, toch vergeten had en voorbij was gegaan!” (201; IX vii 16)