Jehu beoordeeld

Wat vinden wij van Jehu? Is hij je sympathiek of verafschuw je zijn wreedheden? Je ontkomt niet aan deze vraag. Zoals je dergelijke vragen stelt bij de grote namen in de Bijbel (Abraham, Simson, David of Petrus), zo ook bij de minder bekenden. Toch ligt hier in het algemeen gesproken wel een valkuil: wij oordelen op grond van een beperkte levensbeschrijving van mensen. God schakelt mensen in bij zijn plannen. En we zien in het leven van die mensen dus de HEER werken aan de redding van de wereld. Als wij ons dan afvragen of Gods dienaren wel waardig hebben geleefd, moeten wij erop letten wat God hen te doen had gegeven. Wat Jehu betreft is het helder: hij moet het doodsvonnis voltrekken aan de nakomelingen van Achab. Simpelweg omdat de HEER woord houdt vanwege de kwestie Naboth. Geen dankbare taak voor Jehu. Dat is een reden om voorzichtig te manoeuvreren bij een beoordeling van Jehu’s daden. Ga er maar aan staan om zo’n opdracht van God uit te voeren.

 

Laten we proberen na te gaan hoe Jehu zichzelf zag. In de eerste plaats ongetwijfeld als gezalfde van de Heer. (2 Koningen 9,3.6) Dat werd direct erkend door zijn mede-officieren. Hij opereert dan als koning-rechter in het voltrekken van het oordeel. Hij weet zich verbonden met de Godswoorden die te horen waren bij het drama van de dood van Naboth. (1 Koningen 21)
In de tweede plaats heeft Jehu zich als vredestichter beschouwd. Het woord shalom (vrede) speelt een kernachtige rol in de verhalen. (2 Koningen 9,22 vertaling 1951) De vrede met God en de volken rondom was ver te zoeken en Jehu begint het herstel ervan te bewerken door het uitvoeren van Gods opdracht.
Misschien kunnen we – in de derde plaats – ook zeggen dat Jehu een gezegende van God is. Dat in tegenstelling tot Izebel, die vervloekt is. De impliciete vloekwoorden van haar over hem komen niet uit (2 Koningen 9,31), hij staat onder de zegenrijke bescherming van de Almachtige en regeert 28 jaar over Israël. (2 Koningen 10,36)

 

Hoe moeten wij de dood van Achazja van Juda en de 42 Judese prinsen zien? (2 Koningen 9,27-29 en 10,12-14) Het uitbreiden van het oordeel naar Juda was niet opgenomen in de opdracht. Beschouwde Jehu zichzelf als de aangewezen man daartoe? Of was hun komst om te komen groeten (10,13) al voldoende grond voor hun dood? Jehu zag zichzelf in elk geval als een ijveraar voor Jahwe. (2 Koningen 10,16, zie ook over dergelijke ijver: Numeri 25,11.13 en 1 Koningen 19,10 en 14) Hij werpt zich op als tweede Elia. Waar Elia nog op de vlucht ging voor Izebel, heeft hij juist deze koningin gedood.

 

De schrijver van de boeken Koningen maakt duidelijk dat Jehu met ‘kracht en verstand’  heeft gehandeld. (vergelijk Jesaja 11,2) Je kunt zelfs spreken van een zekere beheerstheid in het optreden van Jehu. Jehu was geen grillige usurpator. Er zit zelfs iets wonderlijks in de naïviteit waarmee sommigen in de armen van Jehu lopen (denk aan Joram en Achazja, 2 Koningen 9,21v). Duidt dat op Gods hulp en zijn goedkeuring? Jehu heeft een aantal van zijn daden gelegitimeerd met een verwijzing naar Gods woorden. Maar niet alles kon op die wijze ondersteund worden. De dood van Achazja en die van de 42 prinsen wordt niet door Godswoorden omringd. Overschreed Jehu hier de grenzen van zijn opdracht? Komt hier een ambitie en wreedheid naar boven die we moeten afkeuren? Hier ligt voor ons het gevaar de tekst te overvragen. De schrijver van de boeken Koningen componeert zijn historie voor de ballingen in Babel. Hij gaat hen voor in een indringend zelfonderzoek. Hoe is het zover gekomen met ons, dat wij uit het heilige land verdreven zijn? Het optreden van Jehu was een poging om het land nog te zuiveren van de afgoderij, maar hij faalde uiteindelijk toch. De schrijver is niet van plan om elke daad van Jehu met een oordeel te begeleiden. Wel stelt hij aan het slot dat ook Jehu niet radicaal was (2 Koningen 10,31); en dat God toen al begon met delen van het land los te laten. (2 Koningen 10,32-34) De ballingschap kondigde zich al aan!

 

De vraag naar het oordeel over de daden van Jehu is onlosmakelijk verbonden met de vraag naar het oordeel over Gods handelen in die tijd. Het volk heeft in de tijd van de ballingschap de moed gehad om God te eren, o.a. door middel van deze boeken 1 en 2 Koningen. Want de rode draad is: niet God is te beschuldigen, maar wij. Wij en onze vaderen hebben Hem niet gediend. God is te bewonderen om zijn standvastigheid in vloek en zegen. Hij houdt woord. En zo is dit boek ook in de canon van de kerk terecht gekomen. Het is één groot getuigenis van de HEER die in de uitzichtloze situatie van Israël trouw betoont. Die trouw is de basis voor hoop.

 

Wij kunnen niet buiten schot blijven als wij Jehu (en andere Bijbelpersonen) willen beoordelen. De vraag komt bij onszelf terecht: zien wij de God van Jehu in Jezus Christus aan het werk, nu het eind van de tijden gekomen is en Hij toewerkt maar de voleinding van de geschiedenis? (Hebreeën 1,1-2) Wij strijden niet tegen mensen van vlees en bloed (Efeze 6,12), maar tegen de zonde, de duivel en heel zijn rijk. Zijn wij vaak niet net zo’n kromme stok als Jehu? Hopen maar dat de HEER er een rechte slag mee weet te slaan.