Huistafels

‘Huistafels’ noemde Luther de serie aanwijzingen voor gehuwden, ouders en kinderen, heren en slaven (Duits: Haustafel). Zoals we allemaal de rekenkundige tafels moesten leren, behoorde het onderwijs in de praktische voorschriften voor het leven in het brede huisgezin tot de vroeg-christelijke catechese. Naast de lijst in Kolossenzen 3,18-4,1 vinden we dergelijke opsommingen in Efeze 5,22-6,9; 1 Timoteüs 2,8-15 en 6,1.2; Titus 2,1-10; 1 Petrus 2,18-3,7. In Efeze 5 en 6 vinden we dezelfde opzet als in Kolossenzen (vrouwen – mannen, kinderen- vaders, slaven – meesters), maar de argumentatie is meer uitgewerkt. In 1 Timoteüs ontbreekt de passage over kinderen en vaders, noemt Paulus eerst de mannen, dan de vrouwen en zijn in de brief de aanwijzingen niet direct aan elkaar verbonden. Paulus onderscheidt in zijn brief aan Titus tussen oudere en jongere mannen en vrouwen, iets dat we in de andere passages niet vinden. En in die brief richt hij zich niet apart tot de meesters. Petrus richt zich eerst tot de slaven, dan tot de vrouwen, ten slotte tot de mannen. De gemeenschappelijke factor van dit alles is het uitgebreide huishouden, waarin behalve de echtgenoten ook kinderen en slaven zijn opgenomen, de Romeinse familia. Beide apostelen hebben zich ingezet juist dat deel van het sociale leven voor de pasbekeerde heidenen te ‘kerstenen’, dat wil zeggen: aan Christus te verbinden.

 

De volgorde en de selectie kon klaarblijkelijk per brief en geadresseerde wijzigen. Dat zal te maken hebben met de situatie van de geadresseerde, zoals die voor de schrijver van de brief bekend was. De variatie is bijvoorbeeld die van een gemeente in een stad in Klein-Azië (brieven aan Efeze en Kolosse), of die van een zendingsmedewerker in een jonge gemeente (brieven aan Timoteüs en Titus), of die van verstrooide christenen in een groot gebied (eerste brief van Petrus). Gemeenschappelijk hadden al deze mensen dat het voormalige heidenen en joden waren in de Grieks-Romeinse wereld. De christenen met een heidense achtergrond hadden van huis uit hun waarden geleerd  over het familieleven, met levensvisies als bijvoorbeeld die van de Stoa. Joodse gemeenschappen in de diaspora (dus buiten het heilige land en ver weg van de heilige stad) oriënteerden zich op Mozes’ wetgeving. De meeste jonge gemeenten bestonden uit een groep christenen met beide achtergronden.
Er is onderzoek gedaan om te zien of deze aanwijzingen voor de familia kunnen worden teruggevoerd tot een Stoïsche oorsprong of een Joods origineel. De meeste overeenkomsten zien wij dan met de Joodse traditie in de Griekse context. Bijvoorbeeld de teksten van Philo van Alexandrië (20 v Chr. tot 40 na Chr.), een tijdgenoot van onze Heer en zijn apostelen, die duidelijk geworteld zijn in het Oude Testament. Denk aan geboden betreffende de eerbied van kinderen voor hun ouders (Exodus 20, 12; Deuteronomium 5,16) of wetsteksten betreffende de omgang met slaven (Exodus 21,-11).

 

Nu is een kenmerk van de wetten van Mozes dat de zwakken bescherming vonden. Binnen een cultuur waarin de verhoudingen sterk hiërarchisch waren en zonder veel mogelijkheden om je leven individueel op te bouwen (los van de clan, stam, dorp etc.), komt het er op aan de ongelijke verhoudingen via wetgeving te sturen. Anders gaat het recht van de sterkste bepalen wat ‘normaal’ is. Nu wij gewend zijn geraakt aan meer gelijke verhoudingen en meer individueel leven, lijken die voorschriften ons vreemd, soms barbaars. Maar met dat oordeel miskennen wij Gods werkwijze. Hij liet zijn evangelie werken via die tijd en cultuur. Zowel in het oude Israël als in het maatschappelijke leven van de eerste eeuw na Christus kwam de boodschap van verlossing tot klinken in hechte gemeenschappen met grote onderlinge ongelijkheid. Wat Gods Geest dan doet is het meest krachtige: mensen leren geloven dat hun identiteit en eigenwaarde niet gegeven is met de maatschappelijke positie, maar dat die ontstaat door de liefde van God. Dat egaliseert enorm in de onderlinge verhoudingen (zie teksten als Galaten 3,28; Kolossenzen 3,11), maar het ontketent geen maatschappelijke revolutie. Vandaar dat vrouwen zich in die tijd moesten onderschikken aan mannen en slaven aan hun meesters. Maar op een andere manier dan voor hun bekering. Nu ‘in de Heer’.  Dat is de verbindende rode draad door alle argumentaties in de huistafels: het gedrag van allen moet passen bij de verbondenheid aan de Heer, zie Kolossenzen 3,18.20.22.23.24.

 

Kunnen we nu bij de familie-passage in Kolossenzen nog een specifiek verband vinden met de rest van de brief? We komen waarschuwingen tegen: er waren ideeën over engelenverering en de waarde van allerlei visioenen (2,18); er leefden gedachten over ascetisch leven als het hoogste: ‘raak dit niet aan, proef dat niet’ (2,21); we lezen over zelfvernedering en verachting van het lichaam. (2,23) In die gedachtewereld kan het ‘gewone’ leven in het huisgezin als onbelangrijk worden beschouwd. Of zelfs lichtelijk bedreigend voor het zuivere spirituele leven, alsof je erdoor ‘besmet’ kan worden als een ‘wereldse’ zaak, die door Christus overwonnen is. In dat kader is nadruk op de waarde van het normale leven op z’n plaats. Maar dan wel zo dat het gewone leven geleefd wordt vanuit een geloofsband met Christus. Wil je je aandacht echt op de hemel  richten? Prima, aldus Paulus in 3,1-2. Maar bedenk: dat hemelse leven realiseert zich – zolang de Heer uitblijft 3,3-4 – op aarde, in het bestaande leven. Gewoon je dagelijkse bestaan onderhouden met je man of vrouw, met je kinderen en je personeel. Nu je Christus hebt leren kennen, moet je alles doen ‘in de naam van de Heer Jezus, terwijl u God, de Vader, dankt door hem’ (3,17, zie ook 3,23).

 

Het gevaar van verwaarlozing van het gewone leven is in onze tijd zo groot niet meer. Vele eeuwen evangelie-invloed via het protestantisme heeft dat opgeleverd in West-Europa. De ongelijkheid tussen mannen en vrouwen is gelukkig minder. We zijn er blij mee, omdat je er de doorwerking van het  evangelie in kan opmerken. We danken God voor de afschaffing van de slavernij. Bovendien hebben we geleerd dat God in de wetgeving de zwakke partijen in een cultuur beschermen wil tegen het machtsmisbruik van de sterken. Wat zich namelijk nog steeds voordoet – ongeacht het verstrijken van de tijd en het wijzigen van de cultuur – is de kracht van de zonde. Het evangelie wil in de menselijke verhoudingen de zonde tegengaan en de vrijheid–tot–dienst uitwerken. In onze context gaat het er om dat de huistafels ons daartoe stimuleren.