Het laatste boek van het OT

Waarom is Kronieken niet de afsluiting van het Oude Testament? De beide boeken Divree Hajamiem (de Hebreeuwse naam van Kronieken betekent ‘gebeurtenissen van de dagen’, zoiets als ‘analen’) vormen het sluitstuk van het derde deel van de Tenach, de set Joodse heilige geschriften. Na de Torah vind je de Profeten (Neviiem Risjoniem, vroege profeten en Neviiem Acharoniem, Late Profeten) en tenslotte de Geschriften (Ketoeviem): Psalmen, Spreuken, Job, Hooglied, Ruth, Klaagliederen, Prediker, Ester, Daniël, Ezra, Nehemia, 1 en 2 Kronieken. In de christelijke versie, het Oude Testament, staan de boeken ingedeeld naar genre: de vijf boeken van Mozes, de historische geschriften, poëzie en profeten. Kronieken is gevoegd bij de categorie ‘historie’ en dat heeft het begrip van de boeken weinig goed gedaan in de gelovige Bijbellectuur. Als Bijbellezer ben je geholpen als je de plaats van een Bijbelboek in de Tenach weet. Wat de Geschriften betreft, onthoudt dat de boeken in die laatste afdeling reageren de eerste twee, de Torah en de Profeten: dankbaar, lovend, kritisch, bevragend, klagend, nu ja in alle toonaarden. Ook Kronieken is in gesprek met passages uit de Torah en vooral met de profetische boeken Samuël en Koningen.

 

Mart-Jan Paul licht de plaats van Kronieken in de Tenach toe: “Er is een middeleeuwse traditie in Palestina (= de Palestijnse Hebreeuwse canon) die Kronieken aan het begin van de Geschriften plaatst. Hiertoe behoren de belangrijke Codex van Aleppo en de Codex van Leningrad. Voordeel van deze indeling is dat zo recht wordt gedaan aan het karakter van het boek. Het geschrift functioneert namelijk als een samenvatting van de Wet en de Vroege profeten (de boeken Jozua tot en met 2 Koningen), want het begint bij Adam en sluit af met de Babylonische ballingschap. Ook geven de vele verwijzingen naar de tempelmuziek een opmaat voor het boek van de Psalmen.
De tweede indeling is te vinden in de Azkenazische Hebreeuwse handschriften (uit Duitsland en Frankrijk), waar Kronieken als laatste boek van de canon is opgenomen en daarmee vormt het de afsluiting van de Geschriften. Dit komt overeen met de Babylonische Talmoed, waar het boek Ezra-Nehemia ook voorafgaat aan het boek Kronieken, hoewel het slot van Kronieken en het begin van Ezra op elkaar aansluiten.” (Studiebijbel Online)

 

Vanuit Bijbels literair standpunt gezien is de plaats van Kronieken als afsluiter een geweldige inkopper: “Matteüs neemt de stamboom aan het begin van Kronieken op (1 Kron. 1:1-27) en zet die voor tot de nieuwe doelpersoon, Jezus Christus,” schrijft Hendrik Koorevaar in Theologie van het Oude Testament. “Daarmee wordt het literaire zegel op het OT door middel van het boek Kronieken door Matteüs verbroken.” (114-115)
Ook het slot laat zich mooi vergelijken. De Kronist sluit zo af: “In het eerste regeringsjaar van Cyrus, de koning van Perzië, ging in vervulling wat de HEER Jeremia had laten aankondigen. Hij zette de koning ertoe aan om in zijn hele koninkrijk mondeling en ook schriftelijk het volgende besluit bekend te laten maken: ‘Dit zegt Cyrus, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEER, de God van de hemel, mij gegeven. Hij heeft mij opgedragen om voor hem een tempel te bouwen in Jeruzalem, een stad in Juda. Laten al diegenen onder u die tot zijn volk behoren, zich verzekerd weten van de hulp van de HEER, hun God, en daarheen gaan.’ (2 Kronieken 36,22-23) Nico ter Linden behandelt in deel 5 van Het verhaal gaat… de Geschriften en sluit af met Kronieken: “Dit laatste woord van de Kronist had de evangelist Mattheüs in zijn achterhoofd toen hij het laatste woord van zijn evangelie schreef. … Voor Mattheüs overschrijdt het godsvolk dankzij Jezus de grenzen van Israël: Wie waar ook ter wereld tot dit godsvolk behoort, hij trekke op, mee in de Messiaanse beweging naar de toekomst die in den beginnen begon.” (291)

 

Ter Linden haalt het activerende van het slotwoord naar voren. Dat spreekt me aan. In een periode waarin de gereformeerde traditie zich onrustig verhoudt tot een snel wijzigende context dreigt het gevaar van gelaten afwachten; of klakkeloos aanpassen. In plaats daarvan is het activerende van het slot van Kronieken stimulerend. De gelovigen van na de ballingschap hadden een minstens even verwarrende context. Het nieuwe verhaal van de Kronist wil samenbinden rond de tempel in Jeruzalem. Vandaar dat hij ten slotte nog eens erop wijst hoe juist Cyrus ‘al degenen onder u die tot zijn volk behoren’ oproept om die tempel te helpen bouwen, ‘met de hulp van de HEER’. Samen bouwen aan een nieuwe fase, de gereformeerde traditie in Nederland kan een dergelijk elan wel gebruiken. Daarbij helpt ook deze observatie van Koorevaar: “Cyrus wenst dat JHWH met zijn volk zal zijn, dat naar Jeruzalem gaat om de tempel te bouwen. In Matteüs belooft Jezus dat Hijzelf bij zijn gezanten zal zijn die heen gaan in de wereld om zijn opdracht uit te voeren. Daardoor gaan koning Cyrus en JHWH in het OT gezamenlijk over in één persoon, Jezus Christus in het NT.” (115) Toch fraai dat de impuls van een buitenstaander kan komen. Cyrus de Pers als de gezalfde van God (Jesaja 45,1), het blijft nuttig dat te onderstrepen: God heeft zo zijn gezanten in de hele wereld, ook buiten de christelijke traditie.

 

Naar aanleiding van: Hendrik J. Koorevaar, “Een structureel canonieke benadering voor een theologie van het Oude Testament als geheel.” In: Hendrik Koorevaar en Mart-Jan Paul, Theologie van het Oude testament: De blijvende boodschap van de Hebreeuwse Bijbel2, Zoetermeer: Boekencentrum, 2013, 89-121. Hendrik J. Koorevaar en Mart-Jan Paul zijn beide verbonden als hoogleraar Oude Testament aan de Evangelische Theologische Faculteit in Leuven, België.

 

Nico ter Linden, Het verhaal gaat 5: de Geschriften. [z.p] : Balans, 2002

 

 

De wereld valt mee is de titel van een artikel dat ik schreef in het blad Onderweg van september 2018. Ik sloot dat af met deze alinea: “Het goede, het ware en het schone, in elke tijd zijn er aanwijzingen dat mensen daarnaar zoeken. Niet vreemd natuurlijk, deze woorden raken de basale menselijke vragen. Wat is waard om als belangrijkste na te streven (het goede)? Hoe kunnen wij de werkelijkheid waarin wij leven begrijpen en verklaren (het ware)? Wat is het dat ons verwondert en ontroert en in een nieuwe werkelijkheid doet belanden (het schone)? Ik geloof stellig dat bij Jezus Christus hierover beslissende kennis te vinden is. Het boeiende is dat Hij zowel binnen als buiten de christelijke geloofsgemeenschap vindplaatsen van het goede, ware en schone heeft gemaakt.”