Gast en de gemeente

Hoe presenteer je Christus aan mensen die andere goden vereren? Als je Hem aanprijst als de betere verlosser loop je de kans dat de ander de boodschap gemakkelijk naast zich neerlegt. Want hij kan met overtuiging betogen dat zijn god beter is en dat hij geen enkele behoefte heeft om te veranderen. Hoe kun je een gekruisigde Zoon van God noemen als aanbevelenswaardig, als dat gepaard gaat met het erkennen van de menselijke schuld en totale onmacht? Welk mens heeft behoefte aan zelfvernedering?

 

Sterker kom je naar voren als je aandacht vraagt voor de feiten en de geschiedenis van de hele mensheid. Wij zijn allen aan elkaar verbonden als mensen in de afstamming van de eerste mens en wij delen de geschiedenis van deze aarde. (Handelingen 17,26) Ook al lijkt het alsof de volken allen hun eigen weg gegaan zijn en zo hun eigen religie hebben gecreëerd, de werkelijkheid is dat God één volk speciaal heeft uitgekozen om drager te worden van de belofte van redding en dat het Gods besluit was de andere volken hun eigen gang te laten gaan. (Handelingen 14,16) Boven de schijnbaar onverbonden diversiteit van de volken regeert de Schepper van allen! Het ene volk, uit Abraham en Saraï voortgekomen, is zo tot een teken gesteld, waar iedereen zich tegenover moet bepalen. God heeft zichzelf geopenbaard in de persoon van Jezus Christus, hier op aarde geboren in Judea. Het heil is uit de Joden. (Johannes 4,22) Niemand kan om deze feiten van de geschiedenis heen. Dat is de claim die op alle mensen komt.

 

Preken is het verkondigen van het heil dat in deze feiten vastligt en bekend geworden is. Jezus heeft in woord en daad de redding van de wereld getoond, bewerkt en aangekondigd. Daarmee is de tijd van deze wereld tot een tijd van genade geworden. De boodschap van redding wordt in elke generatie verkondigd met de oproep tot geloof en bekering. (Romeinen 1,17-18) Preken claimt het leven van de toehoorders: hoor hoe de redding nabij is voor een wereld die van God afgedwaald is. Bekeer je en geloof het evangelie! (Marcus 1,15)

 

Van dat evangelie weet ik mij een dienaar. Preken is voor alles een bevrijdende boodschap. Er is vrijspraak van de zonden, de Geest komt mensen vernieuwen, diep in hun hart en uitwerkend in hun gedrag. Genade en vrede voor U van God de Vader door de Zoon. Zo vormt zich een nieuwe gemeenschap van mensen die een voorbode vormen voor de nieuwe schepping. (Jakobus 1,18) God redt niet slechts losse ‘zielen’, maar een volk, en de hemel en de aarde, de ganse kosmos.

 

Als dat licht schijnt, kan het niet anders of de duisternis komt in verzet. (Johannes 1,5) De spanning wordt opgevoerd als wij met elkaar ons realiseren dat Christus zijn terugkeer heeft aangekondigd. (Openbaring 22,20) Ik ken geen sterker motief om de zonde te mijden dan de wederkomst. (Romeinen 2,16) Want dan zullen wij Hem zien die zich voor ons heeft opgeofferd, zonder dat wij erom vroegen. Wij zullen Hem zien in grote glorie en niemand zal de kracht of het lef hebben zich dan nog tegen Hem te verzetten. (Filippenzen 2,10) Als wij ons die werkelijkheid realiseren, dan geeft dat ruimte om elkaar aan te spreken. (Hebreeën 2,1-4)

 

De zonde is een sterke kracht. In de lijn van wat de apostel schreef in Romeinen 7 en 8 wil ik de gelovige beschouwen als mensen die door Gods genade veranderd zijn: je wilt het goede en je verlangt dicht bij de Heer te leven in afwachting van zijn komst. Maar diezelfde gelovige ervaart de kracht van de zonde en de duivel nog in zijn leven en verlangt ernaar verlost te worden van dat alles. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat laksheid en nonchalance dichtbij liggen. Om te voorkomen dat we in een oppervlakkig schijngeloof terecht komen, blijft het nodig om onszelf te confronteren met de wet van God, met oordeel, nu en straks. In het felle licht van Christus’ rede op de berg (Matteüs 5-7) smelt onze tevredenheid snel weg: de stijl van het leven in Gods rijk vraagt meer dan het goede fatsoen dat wij in het dagelijks leven vertonen, of de liefde op onze beste dagen.

 

Omdat wij als gemeente ook het evangelie willen uitdragen voor de buitenstaanders (1 Korinte 14,23-25), reken ik met hun aanwezigheid, vooral in de morgendiensten. Dat wil zeggen dat ik hen als gast in het midden van de gemeente serieus wil nemen. De prediking is gericht tot de gemeente, met buitenstaanders in haar midden. Dus zullen zij horen hoe ik als dienaar van de Here de gemeente aanspreek, en zo zal de gemeente horen hoe ik de buitenstaanders aanspreek.

 

Het evangelie bereikt, naar Gods wil, ieder op zijn of haar tijd. De uitnodiging en de oproep klinken in de kerk. Dan kun je zomaar meemaken dat die oproep tot bekering ineens binnendringt in een hart van iemand die in het verbond met God geboren is en opgegroeid in de kring van Gods gemeente. Dan valt zomaar de scheidslijn tussen buiten en binnen weg, en komt ook in dát hart de wedergeboorte, die nog uitgebleven was, tot stand.