Een soeverein motief

Het Prisma van Sanherib is de benaming van een kleien kolom die op de zes zijden een Akkadische historische tekst draagt, daterend uit de regering van de Assyrische koning Sanherib. Het eerste exemplaar werd in 1830 door Colonel Taylor opgegraven in de ruïne van Ninevé. In 1855 kocht het British Museum in Londen het prisma van Taylors weduwe. Daar bevindt het prisma zich nog steeds. Het prisma was een van de vroegst bekende teksten in spijkerschrift en heeft een belangrijke rol gespeeld bij de ontcijfering ervan.

 

De tekst op het prisma vermeldt de gebeurtenissen van de jaren 701–681 v. Chr. Het is niet alleen een belangrijke bron voor de Assyrische geschiedenis, ook voor de joodse geschiedenis is het van belang. De belegering van Jeruzalem tijdens koning Hizkia wordt erin beschreven (701 v. Chr.). Deze kennen wij ook uit Bijbelse bronnen: 2 Koningen 18-20 en Jesaja 36-39. In het fraaie boek Aan Babylons stromen, over de hoofdmomenten uit de cultuurgeschiedenis van Mesopotamië in het oudtestamentische tijdvak, staat een vertaald fragment. Prof. dr. M.A. Beek wil graag dat de lezer zich ‘de verwaten taal van een Assyrische veroveraar’ vertrouwd kan maken:

 

“Wat betreft Hizkia van Juda, die zich aan mijn juk niet onderworpen had – 46 van vast ommuurde steden en dorpen in hun omgeving zonder tal belegerde ik door ze te bestormen met mijn belegeringswerktuigen, door de strijd der voetknechten, door het slaan van bressen en door andere middelen en ik veroverde hen. 200.150 mensen, groot en klein, mannen en vrouwen, paarden muildieren, ezels, kamelen, runderen en kleinvee zonder tal voerde ik bij hen weg en rekende ik tot buit. Hemzelf sloot ik op in Jeruzalem, zijn residentie, als een gekooide vogel. Schansen wierp ik tegen hem op en wie maar uit zijn stadspoort tevoorschijn kwam, die vergold ik zijn misdaad. De steden die ik geplunderd had, scheidde ik van zijn land af en gaf ze aan Mitinti, de koning van Asdod, Padi de koning van Amkarunna, en aan Silbel, de koning van Gaza, en zo deed ik zijn grondgebied inkrimpen. Aan het vorige tribuut, hun jaarlijkse belasting, voegde ik nog andere lasten toe als geschenk voor mijn heerschappij en legde die aan hen op. Hij echter, Hizkia, werd door de glans van mijn heerschappij neergeworpen en de Urbiën, zijn voortreffelijke soldaten, die als versterking van zijn residentie Jeruzalem binnengebracht en als hulptroepen aangenomen had, tezamen met 30 talenten goud, 300 talenten zilver, edelstenen, schmink, zalven, grote stenen van lapis lazuli, elpenbenen bedden, elpenbenen zetels, olifantenleder, ivoor, ebbenhout, al wat maar mogelijk is, een zware schat, zijn dochters, zijn hofdames, zangers en zangeressen, liet hij naar Nineve, de stad mijner residentie, achter mij aandragen, en hij zond zijn gezant om zijn  belasting te brengen en mij te huldigen.” (222-223)

 

In dit gedeelte zie je naar voren komen wat de koning echt interesseert: hij heeft ervoor gezorgd dat er grote rijkdom, welvaart en luxe naar Ninevé en heel Assyrië komt. Je proeft wel tussen de regels door dat Sanherib Hizkia niet gedood heeft, en dus ook Jeruzalem niet heeft ingenomen, zodat je zou kunnen zeggen: hij heeft de slag daar verloren. Maar het doel van de oorlog heeft hij bereikt: namelijk het vergroten van de welvaart voor het eigen land. Het economische doel is volop bereikt en daar zal het volk hem toch dankbaar voor zijn.

 

Prof. dr. K.R. Veenhof tekent het perspectief zo in zijn uitvoerige artikel over de geschiedenis van het Oude Nabije Oosten in het Bijbels Handboek: “Door een wonder blijft de stad gespaard en Sanherib moet zich moet grote verliezen – een ziekte waart door Gods ingrijpen door het legerkamp – terugtrekken waardoor ook Egypte verschoond blijft van de gevolgen van zijn nederlaag. Volgens Sanheribs versie stuurt Hizkia hem later een zwaar tribuut achterna naar Ninevé. Delen van Juda’s westelijke territorium werden aan de Assur trouwe filistijnse vazallen (Asdod, Ekron onder Padi en Gaza) gegeven op basis van een verdeel-en-heerspolitiek. Het verzet in Syrië-Palestina is hier in feite voorgoed gebroken; in latere jaren zijn er slechts enkele opstandige bewegingen, met name in Fenicië, die echter zonder succes blijven.” (418)

 

Vergelijk dat met de verslaglegging in 2 Koningen. Het is het verslag van de ballingen in Babylon. Hoe is het toch mogelijk dat wij zover van huis zijn terechtgekomen? En is er hoop dat wij ooit weer zullen terugkeren naar de geliefde stad en de tempel van de HEER zullen herbouwen? Het verhaal van de belegering van Jeruzalem is onderdeel van het grote verhaal waarin het volk verantwoording aflegt aan God, elkaar en hun kinderen: wij hebben gezondigd, andere goden gediend en ondanks het verstrekkende geduld van God is het toch op een breuk uitgelopen. Wij zijn verstoten en God heeft stad en tempel prijsgegeven aan de vijanden.

 

In het boek Jesaja heeft het verhaal een andere context. Het is het concentratiepunt van zes blokken profetieteksten. De kernvraag is: is God in staat zijn volk te redden? Zijn reputatie staat op het spel. De naam van JHWH is onder de volken aan spot en hoon onderhevig. Dat brengt het volk dat zich door deze God geleid en behoed weet onder spanning: is JHWH in staat zijn volk te redden en zo zijn reputatie in de wereld te (be)vestigen. Het antwoord is: ja. En het motief is soeverein: “Omwille van mijzelf en omwille van mijn dienaar David zal ik deze stad beschermen en haar bevrijden.” (Jesaja 37,35) Het heeft overigens niet verhinderd dat JHWH later aan Babel de macht geeft om de stad en het koningshuis weg te voeren. (Jesaja 39) En dat is dan weer de opmaat voor de magistrale uitredding die vanaf hoofdstuk 40 wordt beschreven: “Beklim een hoge berg, vreugdebode Sion, verhef je stem met kracht, vreugdebode Jeruzalem, verhef je stem, vrees niet. Zeg tegen de steden van Juda: ‘Ziehier jullie God!’ Ziehier God, de HEER! Hij komt met kracht, zijn arm zal heersen. Zijn loon heeft hij bij zich, zijn beloning gaat voor hem uit. Als een herder weidt hij zijn kudde: zijn arm brengt de lammeren bijeen, hij koestert ze, en zorgzaam leidt hij de ooien.” (40,9-11)

 

In de grote geschiedschrijving van de boeken Koningen is de uitredding van Jeruzalem een korte adempauze. De ballingschap van Noord-Israël was al een feit (slot hoofdstuk 17) en toen leek kort daarna ook Juda onder de voet gelopen te worden door Assyrië. Maar God greep in en het leger van Sanherib werd een zware slag toegebracht, zelfs zo dat hij nooit meer deze kant op kwam: “…en keerde voorgoed terug naar zijn woonplaats Ninevé,” noteert de schrijver van 2 Koningen. (19,36) Kortom Sanherib was voorgoed bekomen van plannen om Juda in te lijven en er persoonlijk heen te gaan. En terwijl Sanherib zijn gezicht kan redden door het economisch voordeel aan te wijzen (wat een rijkdom stroomde er onze kant op), maakt Israël daar geen melding van. Blijkbaar was er veel welvaart, blijkbaar was er veel te halen daar, blijkbaar gingen de zaken goed. Maar daar gaat het in het leven met God niet om.

 

M.A. Beek, Aan Babylons stromen. Hoofdmomenten uit de cultuurgeschiedenis van Mesopotamië in het oudtestamentische tijdvak. Amsterdam/Antwerpen: Kosmos, 1974

 

K.R. Veenhof, ‘Geschiedenis van het Oude Nabije oosten tot de tijd van Alexander de Grote’ In: A.S. van der Woude (hoofdred.), Bijbels Handboek I: De Wereld van de Bijbel, Kampen: Kok, 1981, 278-441