Doop en zonde

Het is een understatement als ik beweer dat Aurelius Augustinus nogal bezig was met zijn zonden. Wij lazen als gymnasiasten in het Latijn de passage over het stelen van peren en onze docent gaf commentaar: de kerkvader geeft wel erg zwaar gewicht aan zo’n jeugdzonde: “In de buurt van onze wijnberg stond een perenboom, met vruchten beladen, die noch door hun uiterlijk, noch door hun smaak aanlokkelijk waren. Om die boom leeg te schudden en te plunderen gingen wij, diepverdorven jongens, laat in de nacht op pad, nadat wij ons spel op straat volgens onze verfoeilijke gewoonte tot dan toe hadden gerekt – en enorme vrachten van die vruchten droegen wij mee, niet voor ons eigen maal, maar om ze desnoods, ook al aten we er zelf wel iets van, voor de varkens te gooien: het ging er alleen maar om, dat er door ons iets gedaan werd waar wij plezier in hadden omdat het niet mocht.” (55-56; II iv 9)

 

Inderdaad, soms doet je zoiets, gewoon omdat het niet mag. Dat geeft een gezonde spanning die je graag een keer exploreert. Maar Augustinus vertelt dit niet zomaar. Hij is begonnen met zelfonderzoek. Daarom boort hij nog wat dieper: “Hier is mijn hart, God, hier is mijn hart waarover gij u in de diepste van de afgrond erbarmd hebt. Laat mijn hart hier u nu zeggen wat het daar zocht, dat ik zomaar zonder enig voordeel slecht was, met slechtheid als enige drijfveer voor mijn slechtheid. Afzichtelijk was die slechtheid en ik had haar lief; ik had het lief te gronde te gaan; ik had mijn verval lief, niet datgene waartoe ik verviel, maar mijn verval zelf, ik misvormde ziel, die wegsprong uit uw vastheid, het verderf in, een ziel die niet door wangedrag iets anders nastreefde, maar die uit was op het wangedrag zelf.” (idem)

 

Augustinus’ moeder Monica was een christelijke vrouw. Zo heeft hij al vroeg via haar God leren kennen: “Met mij was het zo, dat ik als kind reeds gehoord had over het eeuwige leven, ons beloofd door de nederigheid van de Heer onze God, die naar onze hoogmoed is neergedaald; ik werd ook reeds getekend met het teken van zijn kruis en verlevendigd door zijn zout, al sinds ik de schoot van mijn moeder had verlaten, die vurig op u hoopte.” (39; I xi 17 en noot 16) Als jonge jongen verlangde hij de doop toen hij door buikkrampen koorts kreeg en de dood nabij wist. Hij drong bij zijn moeder en de kerk aan op de bediening van de doop. Is de doop niet het teken van de vergeving van de zonde? “Wat aarzel je dan nog? Sta op, laat je dopen en je zonden wegwassen, terwijl je zijn naam aanroept,” zei Ananias ooit tegen Saulus (Handelingen 22,16). Maar omdat hij genas werd de doop uitgesteld. “Zodoende werd mijn zuivering uitgesteld, omdat het onvermijdelijk heette dat ik nog bezoedeld raakte wanneer ik bleef leven: de redenering was dan dat na dat doopbad de schuld bij de bezoedeling door zonden groter en gevaarlijker was.” (39; I xi 17)

 

Augustinus werd met Pasen 387 door bisschop Ambrosius gedoopt in Milaan. In de vierde eeuw was het gebruikelijk de doop lang uit te stellen. Liuwe H. Westra geeft meer achtergrond van deze gedachtegang: “Ten slotte is er de vraag van de vergeving van zonden die zijn begaan na de doop. Wanneer men maar één keer gedoopt kan worden, neemt men bij de doop wel een grote verantwoordelijkheid op zich: zonden die na de doop worden begaan, kunnen immers door de doop niet meer worden vergeven. Inderdaad is dit een gedachte die in de Vroege Kerk heeft geleefd, en die kon leiden tot een uitstel van de doop, bij voorkeur tot op het sterfbed (en ook tot een houding, dat men, als men nog niet gedoopt was, het wel wat minder nauw kon te nemen met de moraal). Dit wordt echter in de geschriften die wij over hebben, nooit met zoveel woorden gepropageerd. In de eerste eeuwen lijkt men echter minder beducht geweest te zijn voor twee keer of zelfs vaker dopen.”

 

Augustinus vraagt zich ook af wat het effect van doop-uitstel is. Zijn de ‘teugels van de zonde’ hierdoor gevierd of juist niet? Hij hoort soms mensen zeggen dat je mensen gewoon moet laten begaan, want zij zijn nog niet gedoopt. Dat is een vreemde redenering, vindt hij, die wij toch ook niet bij lichamelijke gezondheid toepassen: laat hem nog maar wat erger ziek worden, hij is immers nog niet genezen. (40; I xii 18; zie ook 54; II iii 6; en 138; VI xiii 23; en 170; VIII ii 4; en 193; IX ii 4; en 200; IX,vi 14).

 

Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 15 heeft een opvallende vermelding van de combinatie van doop en vergeving. In het artikel over de erfzonde staat: “Zij is namelijk de wortel waaruit allerlei zonden in de mens voortkomen. Daarom is ze zó gruwelijk en afzichtelijk voor God, dat zij reden genoeg is om het menselijk geslacht te veroordelen. Zelfs door de doop is zij niet geheel vernietigd of uitgeroeid, omdat de zonde altijd uit deze verdorvenheid ontspringt als opwellend water uit een giftige bron.” Waarom wordt hier de doop genoemd? Waarom niet het avondmaal? Het gaat bij de doop om de initiatie in de christelijke geloofsgemeenschap. Daar blijft de macht van de zonde zichtbaar. Als de doop dat niet neutraliseert, blijft een herhaald avondmaal vieren nodig. En daaraan gekoppeld het doen van boete. Joseph Ratzinger schreef al in 1970 – hij was toen nog geen paus – hierover in De kern van ons geloof: “ Voorzeker ziet men in de aanvang het doopsel als het grote sacrament van vergeving, als het moment van totale ommekeer. Pas langzamerhand kwam men op grond van een pijnlijke ervaring tot het besef, dat de christen, ook als hij gedoopt is, vergeving nodig heeft. Op deze wijze trad het boetesacrament als instrument van zondenvergeving meer en meer op de voorgrond, vooral sinds het doopsel direct na de geboorte werd toegediend en aldus ophield uiting te zijn van daadwerkelijke bekering.” (282)

 

Naar aanleiding van: Aurelius Augustinus, Belijdenissen.7 Vertaald en ingeleid door Gerard Wijdeveld. Amsterdam: Ambo, 2007

 

Joseph Ratzinger, De kern van ons geloof: Hedendaagse verworvenheden en nieuwe inzichten,2 met een geleide van L.J. Kardinaal Suenens. Tielt/Utrecht: Lannoo, 1970. (Oorspronkelijke titel: Einführung in das Christentum, München: Kösel Verlag. Uit het Duits vertaald door P. Dr. Mag. Venantius de Leeuw en Henri van der Burght)

 

 

Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 15: “Wij geloven dat door de ongehoorzaamheid van Adam de erfzonde zich over heel het menselijk geslacht heeft verbreid. Zij is een verdorvenheid van de hele natuur en een erfelijk kwaad, waarmee zelfs de kleine kinderen in de moederschoot besmet zijn. Zij is namelijk de wortel waaruit allerlei zonden in de mens voortkomen. Daarom is ze zó gruwelijk en afzichtelijk voor God, dat zij reden genoeg is om het menselijk geslacht te veroordelen. Zelfs door de doop is zij niet geheel vernietigd of uitgeroeid, omdat de zonde altijd uit deze verdorvenheid ontspringt als opwellend water uit een giftige bron. Zij wordt evenwel de kinderen van God niet toegerekend om hen te veroordelen, maar door zijn genade en barmhartigheid vergeven, niet om de gelovigen zorgeloos in de zonde te laten voortleven, maar om hen door het besef van deze verdorvenheid dikwijls te doen zuchten van verlangen, uit het lichaam, dat in de macht van de dood is, verlost te worden (Rom. 7:24). Op dit punt verwerpen wij de dwaling van de pelagianen, die zeggen dat de zonde slechts uit navolging ontstaat.”