De witte lelie

Het is een barre tijd als de koopman en zijn vrouw weer noordwaarts gaan na een bezoek aan Santiago de Compostella. Niet alleen is het weer beroerd, ook de zwarte dood waard rond aan het einde van de tiende eeuw na Christus in West-Europa. Ridder Aymar van Schemerwoude biedt hen nog steeds bescherming tegen kwaadaardige mensen, maar de omstandigheden worden door hogere machten bepaald.

 

Onderweg galoppeert een groep ruiters langs. Een van hen is klaarblijkelijk een kruisridder, getuige het kruis op zijn wapperende mantel. Toch is het niet deze Reinhardt die mijn aandacht trok in deze episode. De Duitser is nors, gewelddadig en ondankbaar, echt een ander karakter dan Aymar. Meer geluk dan wijsheid heeft hij. “Dat hoort u goed,” legt hij Aymar uit, “Drie jaar geleden, bij de muren van Jeruzalem, raakte ik gewond en werd gevangen genomen door de Moren, die me, na talloze omzwervingen, verkochten aan de kalief van Cordoba. Daar zou ik nu nog zijn, als het geluk me niet op het pad had gebracht van de werpspies die anders zijn zoon gedood zou hebben…” Aymar reageert met: “Waarna hij u uw vrijheid teruggaf. Het geluk is allerwegen met u, zo lijkt het…” (14) Reinhardt is onderweg in verband met een familiekwestie en kruist zo het pad van ridder Aymar en zijn schildknaap Olivier. Ridderlijke plichten nopen de laatstgenoemden de brute kracht-in-nood te helpen maar dat brengt hen zelf ook in de problemen. En dan blijkt er onderweg een wonderbaarlijke hulp aanwezig.

 

“Heb je geen vader of moeder die voor je zorgt?”
“Die heb ik niet nodig, heer. Want een schone dame beschermt mij. Ze heeft haar als van de engeltjes en heeft lelies in haar hand.”
“Zo, zo, een goede fee dus…die jou met blote voeten in de blubber laat staan!” (8)
Dit korte gesprekje begeleidt de eerste verschijning van een klein meisje in lompen. Zij staat te bedelen langs de weg, in ontij, en ridder als Aymar is geeft hij haar een stuk brood. Het meisje kondigt al aan dat de goede daad beloond zal worden: “De schone dame zal u ’t duizendvoudig lonen.” Wie goed doet, goed ontmoet.

 

De volgende scene waarin zij optreedt, is de situatie waarin Aymar en Olivier op zoek zijn naar Reinhardt nadat zij ontdekt hebben dat zijn reisgenoten vermoord zijn. Ineens staat het meisje naast hem en zij vertelt dat de ridder niet dood is.
“En wat weet de schone vrouw nog meer?”
“Ze heeft gezegd dat hij in een herdershut wordt vastgehouden en dat zijn leven in groot gevaar is. … Maar de vrouw wil dat we wachten tot het donker is.” (26)
De schone vrouw blijkt nu de weg te wijzen en schenkt de juiste strategie erbij. Gehoorzaam aan dergelijke tekens wachten Aymar en Olivier tot de nacht valt en weten inderdaad Reinhardt te bevrijden.

 

Daarna volgt een tocht door de bergen. Mist en sneeuw, kou en vermoeidheid dreigen de mannen naar de ondergang te brengen. Dan is daar het meisje weer: eerst ziet Olivier haar. “Heer,” zegt het meisje, “ik weet hoe u van hier over de berg komt. Neemt u mij op uw schouders, dan zal ik u de weg wijzen.” Olivier roept in paniek: “Raak haar niet aan, heer! Alleen door duivels werk kan zij zo hoog in de bergen terechtgekomen zijn!” (41) Aymar neemt haar echter gewoon op de schouders. Olivier en Reinhardt lopen verschrikt achter hem aan. Aymar brengt zijn nieuwsgierigheid onder woorden: “De vrouwe met de lelies, ik heb haar nog nooit gezien of gehoord.”
“Maar heer daar is ze! Daar op de rots! Ziet u wel? Ze praat tegen mij! Ze zegt dat u gered bent.”
“Gered?” (42) Even later passeren zij de witte lelie.

 

 

Hier heeft Hermann subtiel de middeleeuwse Mariadevotie ingevoegd. Miri Rubin schrijft in haar studie over historie van de heilige maagd: ‘Maria bevond zich gewoonlijk in uitgebreide denkbeeldige ruimtes die hoofs of hemels waren, of beide. Het leek passend om Maria, zo vaak afgebeeld als een lelie of een roos, in een tuin te plaatsen. De naam van haar geboorteplaats, Nazareth, kwam voort uit het Hebreeuwse woord netzer – bloesem. Maria’s zuiverheid werd geassocieerd met de lelie, maar haar persona was een van de geurige bloemen van het Hooglied (2: 1-2).” (310-311)

 

In de serie past de gekozen vorm goed. Zo schildert Huppen het beeld van de betoverde wereld van toen. Wat zouden wij er nu van zeggen? De vraag wordt ook gesteld op de website van Hermann: “Het is interessant om je af te vragen of dit een waar visioen is, een verbluffende goocheltruc, vrucht van geruchten of blind geloof, of een collectieve illusie. De mystiek kan een cruciale rol spelen, zelfs redden, want, dat spreekt voor zich, zowel Aymar als Olivier had een totaal en onwankelbaar vertrouwen in God. Zo is het mogelijk dat zij, in hun paniek om hun weg te vinden, op hun manier denken dat ze dit kleine meisje voor zich zien, witte lelie, symbool van de onbevlekte ontvangenis, die hen redt.”

 

Dat is het, inderdaad: het past in het geheel van het geloof in God. Alles is doortrokken van zijn macht en van de macht van de tegenstander, de duivel. De devotie van de heilige maagd had in de middeleeuwen een hoge vlucht genomen en het is niet vreemd dat dat terugkomt op deze manier. Aymar komt voorzichtig met het rationele, kritische element: “Ik heb haar nog nooit gezien of gehoord…” Dat is uiteindelijk de weg geweest naar de algemene onttovering van de wereld: afgaan op je zintuigen en de vanzelfsprekendheden op grond daarvan bevragen. Zo lieten wij ons ten slotte volstrekt op onszelf terugvallen. Want niet alleen de heilige maagd kan geen rol meer spelen in de levensleiding, ook de Schepper zelf is weggestuurd en gaan zwijgen.

 

Naar aanleiding van: Hermann, Reinhardt (De Torens van Schemerwoude 4)2. Zelhem: Arboris, 1993. Oorspronkelijk in het Frans gepubliceerd in 1987. Scenario en tekeningen van Hermann, inkleuring door Fraymond.

 

Miri Rubin, Mother of God: A History of the Virgin Mary. London: Penguin Books, 2010