De mens is uit Gods hand

De eerste man staat in de tuin te wachten.
Daar komt de HEER aan. Aan zijn arm heeft Hij zijn eerste dochter en vol trots komt Hij haar aanbieden. “Eindelijk een mens, net als ik!” roept de man verwonderd, “Ze is mijn eigen vlees en bloed, want ze is gemaakt uit een deel van mij. Ik noem haar ‘vrouw’.” (Genesis 2,23, Bijbel in Gewone Taal). Dat heb ik van Adam overgenomen, die aanspraak. Een vondst.
Dit lied is bevoorrecht: twee componisten schreven een passende tune.

 

*

 

De mens is uit Gods hand gekomen,
Hij schiep de man uit stof en Geest.
God heeft hem met zich meegenomen
het paradijs in, naar het feest
waar hij zijn grote liefde zag,
verwonderd om wat God vermag.

 

De vrouw is uit de mens genomen,
hoe één, hoe schoon en wonderbaar.
De Heer vervulde onze dromen,
als ware Vader bracht Hij haar,
als pelgrim naar Jeruzalem:
hij past bij haar en zij bij hem.

 

Wij hebben van God zelf vernomen
hoe veelbelovend leven is
als man en vrouw Zijn beeld vertonen,
een heilige belevenis,
nu Christus met ons samenleeft,
Zijn Geest ons alle aandacht geeft.

 

Dus zullen wij de Vader loven,
vandaag en tot in eeuwigheid,
want Hij gaat iedereen te boven,
en toch is Hij ons zeer nabij.
Wij geven aan geen ander eer,
wij, zonen, dochters van de HEER.

 

Kees van der Vloed schreef voor dit lied deze melodie, en Peter Sneep deze.