De lievelingsleerling

Wie heeft het evangelie van Johannes geschreven? Johannes natuurlijk, wie anders? Nou ja, dat staat te bezien. Hoe weten wij dat zo zeker? De auteur maakt zich nergens in zijn boek bekend, met naam of toenaam. In de vroeg-christelijke kerk heeft men algemeen aangenomen dat Johannes, de leerling van Jezus, de auteur was van het vierde evangelie. Een sterk argument, zij leefden kort na de dood van de apostelen.  Als wij de oude kerk daarin volgen, dan is de interessante vraag of wij Johannes soms tegenkomen in zijn boek als ‘de leerling van wie Jezus veel hield’.
De eerste keer lezen we die aanduiding in hoofdstuk 13,23-25, het verhaal over het afscheidsmaal van Jezus en zijn leerlingen, op de avond voor de sterfdag van de Heer. De lievelingsleerling ligt direct naast de Heer aan tafel. De typering komt pas laat in het verhaal naar voren. Vreemd? Valt mee, eerder logisch. Want in het begin zijn Jezus en zijn leerlingen nog vreemd aan elkaar. De vertrouwde en intense omgang heeft zich in de loop van de jaren opgebouwd en blijkbaar is de verhouding tussen Jezus en de apostel uitzonderlijk vriendschappelijk geworden.

 

In de vorige vertaling (die van 1951) stond: “Eén van de discipelen, dien Jezus liefhad, lag aan de boezem van Jezus.”  Mooi, die oude vierde naamval op (‘dien Jezus liefhad’), maar ook opvallend gezegd: dat hij aan de boezem van Jezus lag. Dat roept een uitspraak uit hoofdstuk 1,18  in herinnering: “Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen.” (weer uit de vorige vertaling) Het beeld van de oosterse maaltijd wordt hier toegepast op de verhouding tussen God de Vader en de Zoon, denk ook aan de beschrijving van Lazarus naast Abraham in Lukas 16,22-23. Zo’n setting maakt vertrouwelijke communicatie mogelijk. Een dergelijke intieme en intense relatie heeft Jezus Christus dus met God de Vader in de hemel. Zo is dus ook de positie van één leerling bijzonder geworden De plaats die hij toegewezen krijgt kan ertoe leiden dat hij misschien meer hoort van Jezus dan de anderen. En andersom: hij kan namens de anderen spreken tot de Heer. Dat laatste gebeurt dan ook tijdens die maaltijd op donderdag: Petrus geeft hem de hint aan Jezus te vragen wie Hij bedoelde toen Hij sprak over een verrader aan tafel. (13,24-25)

 

Deze leerling staat ook bij het kruis. Daar geeft Jezus hem de aanwijzing om de zorg voor moeder Maria op zich te nemen. De leerling begreep de hint direct en gehoorzaamde. (19,26-27) Moeder Maria is met hem meegegaan naar Efeze. Men laat er aan toeristen nog steeds de woning en het graf van moeder Maria zien.
De lievelingsleerling is bij het lege graf de eerste die begint te geloven. Samen met Petrus kreeg hij bericht van Maria Magdalena, dat zij het lichaam van de Heer niet meer kon vinden. (20,1-2) Dus op een draf naar de grafkamer, en als beiden binnen zijn, begint het te dagen bij ‘de leerling van wie Jezus veel hield’. (20,8) Ligt er een verband tussen die twee feiten? Was hij door zijn vriendschappelijke relatie toch meer open voor de boodschap dat Jezus zou opstaan? Het is een klein begin van geloof, dat nog ontbreekt bij Petrus en Maria.

 

Ook in het laatste hoofdstuk van het evangelie lezen wij over hem. De leerlingen zijn aan het vissen geslagen in Galilea in afwachting van de ontmoeting met de Heer. Iemand roept hen toe en in opdracht van die man gooien zij het net weer in het water en halen een geweldige hoeveelheid vis binnen. “De leerling van wie Jezus hield zei tegen Petrus: ‘Het is de Heer!’” (21,7) En als Petrus later aan de Heer vraagt hoe het met Johannes zal aflopen, lezen wij: “Toen Petrus zich omdraaide zag hij dat de leerling van wie Jezus hield hen volgde…” Voor de duidelijkheid verwijst de schrijver nog even naar de donderdagavond, dat het de leerling was die naast Jezus had gelegen en gevraagd had wie de verrader was, 21,20-24. Deze leerling zou heel oud worden, zo oud dat hij voor een generatie die er niet bij is geweest een laatste ooggetuige kon zijn.

 

Johannes is de lievelingsleerling van Jezus geweest. Wat zegt het van Johannes dat hij zich zo min of meer verstopt achter deze aanduiding? Prof Van Houwelingen ziet bij Johannes een vorm van bescheidenheid: “In het evangelie houdt hij zichzelf op de achtergrond. Alleen waar het direct bij zijn doelstelling past, de lezers te stimuleren tot geloof in Jezus Christus, laat de auteur zijn terughoudendheid varen.” (22).  Maar als de apostel naar zichzelf verwijst bij de aanduiding ‘de leerling van wie Jezus veel hield’,  dan is dat wel verbergend, maar ook onderscheidend en kwalificerend en daarmee juist profilerend. Er was blijkbaar enig onderscheid tussen de leerlingen en Johannes maakt nadrukkelijk helder dat híj de bevoorrechte positie had.

 

Nu was dat in de Joodse en Griekse cultuur niet vreemd. Leraren of rabbi’s hadden vaak meerdere leerlingen en het is goed denkbaar dat er tussen leraar en één leerling een nauwere band ontstond. Toch zijn er aanwijzingen dat wij het verschil tussen Johannes en de andere apostelen op dit punt ook weer niet te sterk moeten aanzetten. In de eerste plaats had Jezus ook andere vrienden buiten de kring van zijn directe leerlingen: Lazarus van Betanië, met zijn zussen Maria en Marta: “De zusters stuurden iemand naar Jezus met de boodschap: ’Heer, uw vriend is ziek’” (11,3) In de tweede plaats, denk aan een passage als Johannes 15,15-16, waar we lezen: “Ik noem jullie geen slaven meer, want een slaaf weet niet wat zijn meester doet; vrienden noem ik jullie, omdat ik alles wat ik van de Vader heb gehoord, aan jullie bekend gemaakt heb.”  Hier spreekt Jezus de héle groep aan, meervoud. Allen zijn vrienden en één van hen is een boezemvriend.

 

Vriendschap krijgt hier een eigen betekenis, juist in onderscheid van de slavernij. De slaaf krijgt van de meester een opdracht en heeft die maar uit te voeren. De slaaf wordt niet op de hoogste gebracht van het plan achter de opdrachten. Hij wordt niet in het overleg betrokken. Maar een koning of meester kan soms zoveel vertrouwen krijgen in een of meer van zijn dienaren dat hij hem of hen wel in het beleid gaat betrekken. Vrijgekochte slaven konden geadopteerd worden en erfgenaam van een heer. Zo iemand wordt dan de vertrouwensman, die wij in de Bijbel wel vaker tegenkomen. Zo was Jozef de persoonlijke bediende van Potifar (Genesis 39,4), Achuzzat de vertrouweling van Abimelech (Genesis 26,26), Chusai van David (1 Kronieken 27,33) en Zabud de ‘vriend’ van Salomo. (1 Koningen 4,5)

 

Israëls God, Jahwe, de HERE had ook zo’n vriend: Abraham. (zie ook 2 Kronieken 20,7; Jesaja 41,8 en Jakobus 2,23) We lezen in Genesis 18,16v het ontroerende verhaal hoe de HERE hem in vertrouwen neemt voordat Hij ertoe overgaat om Sodom te straffen.  De vriendschap betekende niet een relatie op gelijk niveau. De keus gaat van de hooggeplaatste uit. Zoals Jezus ook zegt tot zijn leerlingen: “Jullie hebben niet mij uitgekozen, maar ik jullie.” (15,16) De vertrouwenspositie heeft iets te maken met het ingewijd worden in de plannen én met het aangewezen worden voor speciale opdrachten. Zo werden de twaalf apostelen door de Here ingewijd in de geheimen van het koninkrijk van God (Matteüs 13,11) én uitgezonden om voor de Heer vruchten te dragen: “… en ik heb jullie opgedragen om op weg te gaan, en vrucht te dragen, blijvende vrucht.” (Johannes 15,16 slot) Hier hoor je al een eerste aanzet tot het zendingsbevel, dat later na de opstanding gegeven wordt: op weg gaan, en vrucht dragen door bekeerlingen te maken.

 

Dienaren, die een vertrouwenspositie kregen, kun je vergelijken met hedendaagse bijzondere gezanten in diplomatieke dienst. Wij lezen in het nieuws soms van mannen of vrouwen die tot gezant zijn benoemd om een delicate kwestie in naam van een koning, president of instelling te behartigen. Zo krijgt Chusai de opdracht om in het akelige conflict met Absalom een actie uit te voeren ten gunste van koning David (lees 2 Samuël 15). Davids koningschap staat op het spel. De opdracht voor Chusai is eervol, maar ook gevaarlijk. Als een schaap te midden van wolven. Deze uitdrukking kennen we ook van de Heer, voor zijn leerlingen, Matteüs 10,16. Ook zij staan in dienst van het koningschap van de Heer als zij uitgezonden worden, want zij moeten deze boodschap verkondigen: “Het koninkrijk van de hemel is nabij.” (Matteüs 10,7);  (veel van wat ik hier weergeef over vriendschap als vertrouwenspersoon ontleen ik aan de inzichten van D. Holwerda, 151-153)

 

Heeft dan het feit dat Johannes zich extra geliefd wist door de Heer, hiermee te maken? Wellicht dat het te verbinden is met zijn hoge leeftijd. In hoofdstuk 21 van Johannes’ evangelie staat dat deze leerling zal ‘blijven’ (21,22). Het heeft te maken met het feit dat de leerling de opdracht heeft om te getuigen: “Het is deze leerling die over dit alles getuigenis aflegt en het ook heeft opgeschreven.” (21,24) Door het opschrijven is het zelfs mogelijk dat het getuigenis blijft tot aan de wederkomst, ook al is de kroongetuige zelf gestorven.

 

Juist omdat hij zo lang heeft geleefd, is hij van groot nut geweest aan het einde van de eerste eeuw. Jeruzalem en de tempel waren door de Romeinen verwoest. De moedergemeente in de Joodse hoofdstad was klein en kwetsbaar. De jonge kerken rondom de Middellandse Zee raakten in verwarring en intern verdeeld. De godheid van Jezus Christus wordt hardop ontkend. Kerken zakken in, de levensstijl verlaat het pad van de Heer. Deze donkere schets zie je terug in het boek Openbaring en in de brieven van de apostel Johannes. Johannes mag echter in zijn boeken en brieven, en met name in de Openbaring, laten zien dat ondanks alles Jezus de Heer regeert en zijn kerk bewaart door barre tijden heen. “Daarvan is Johannes nu de unieke kroongetuige. Daarvoor moest de geliefde leerling van Jezus lang leven en daarvoor moest hij eenzaam worden. Bij het laatste pascha lag hij aan tafel bij de Heiland. Hij boog zich naar hem over en vroeg vertrouwelijk wie het was die Hem verraden zou. En Jezus gaf hem antwoord. Toen was Johannes nog een jonge man. Nu hij oud is geworden, buigt de Heiland zelf zich over naar deze leerling en vertrouwt hem toe wat er ‘na dezen geschieden zal’. Uit die vertrouwelijkheid wordt het boek Openbaring geboren dat aan alle christenen wordt gegeven als een vuurbaak in de nacht, ”  mediteert Jakob van Bruggen fraai. (94) Opnieuw blijkt het betrokken worden in de plannen van God de inhoud te zijn van de bijzondere relatie met de Heer: goede vriend en geliefde apostel, vertrouwenspersoon. Zo zegt dus de aanduiding over bijzondere liefde eigenlijk meer over Jezus dan over Johannes.

 

Naar aanleiding van: P.H. R van Houwelingen, Johannes: Het evangelie van het Woord. Kampen: Kok, 1997

 

D. Holwerda, Gespitst op het komende Pinksterfeest: Het evangelie naar Johannes vertaald en verklaard. Kampen, Kok, 2009

 

Jakob van Bruggen, Kroongetuigen van het evangelie. Kampen: Kok, 2014