De eerste lezers

“Matteüs maakte zijn evangelie bij de Hebreeën en schreef in hun eigen taal. Petrus en Paulus waren toen in Rome, waar zij toen het evangelie verkondigden en de gemeente grondvestten.” Dat schrijft de eerste grote theoloog na de tijd van de apostelen Iraeneus (140 – ca. 202 na Chr.; Adversus Heareses III 1.1). Dit maakt het waarschijnlijk dat er een originele versie van evangelie van Matteüs was in het Hebreeuws of Aramees. Daarvan is het manuscript niet bewaard gebleven. Volgens kerkvader Hiëronymus (ca. 347 – 420 na Chr.) was er in zijn tijd nog een kopie in de bibliotheek in Caesarea. Op dit ogenblik zijn er geen kopieën in het Hebreeuws of Aramees meer bekend. Wij hebben de vertaling ervan in het Grieks en die vormt de basis voor onze vertaling in het Nederlands.

 

De keuze om in het Hebreeuws of Aramees te schrijven, heeft alles te maken met de eerste lezers van het boek. Want het wordt algemeen aangenomen dat Matteüs zijn boek in de eerste plaats bedoelde voor christenen met een Joodse achtergrond en voor Joden die nog geen christen waren. Wel is het waar dat de groep van eerste lezers bij de evangeliën moeilijker te bepalen is dan bij de brieven van de apostelen. De brief aan de gemeente van Korinte heeft een duidelijk en afgebakend adres. Een biograaf is niet zo specifiek. De evangelist Lukas draagt zijn boek wel op aan één persoon (Theofilus, Lukas 1,3). Maar het schrijven van een boek betekent dat je rekening houdt met kopieën en dus met een lezerspubliek dat groter wordt dan de groep die een mondeling verhaal aanhoort. Volgens Eusebius (263 – 339? na Chr.), een kerkvader uit de vierde eeuw, die als eerste de geschiedenis van de kerk beschreef, liet Matteüs zijn boek achter voor de Joden (Hebreeën), toen hijzelf vertrok om elders het evangelie aan andere volken te gaan brengen (Historia Ecclesiastica III 24.6).

 

In de inleiding op het Bijbelboek Matteüs in de Nieuwe Bijbelvertaling staat: “Vaak wordt Syrië, en in het bijzonder de stad Antiochië, genoemd als de plaats van herkomst.” Inderdaad, Matteüs benadrukt plaatsen in Syrië, bijvoorbeeld in 4,24-25: “Het nieuws over hem verspreidde zich in heel Syrië.” Bovendien komt de zending onder de heidenen geregeld ter sprake in dit evangelie. (zie o.a. 28,16-20) Juist in Antiochië, in Syrië, begon de Joods-christelijke gemeenschap ermee. (Handelingen 11,25-26; 13,1-3; 14,26-28) Er was daar een grote Joodse gemeenschap in de eerste eeuw. Zij had waarschijnlijk ook contacten met de joodse gemeenschap in Palestina. Toch blijft het een beetje gissen, we hebben er te weinig gegevens over, om hierover met zekerheid te kunnen spreken.

 

Welke aanwijzingen vinden wij in het boek van Matteüs, dat hij inderdaad allereerst schreef voor een Joods publiek? Een aanwijzing is bijvoorbeeld dat Matteüs elementen noemt die juist voor Joden van belang zijn. Jezus sprak een en andermaal over echtscheiding. Matteüs vermeldt erbij dat er een uitzondering is: “afgezien van overspel”, zie 5,32 en 19,9. Dat ontbreekt bij de andere evangelisten. Als Matteüs weet dat hij Joodse lezers heeft, dan weet hij ook dat zij bekend zijn met het schrijven van een scheidbrief in het geval van overspel. Griekse lezers zouden hier geen vraag over hebben, of misverstand kunnen ervaren. Een andere aanwijzing vormen de vele citaten uit het Oude Testament. Meer dan eens laat Matteüs zien dat in het leven van Jezus een profetie uit het Oude Testament vervuld werd. (1,22; 2,15; 2,17; 2,23; 4,14; 8,17; 12,17; 13,14; 13,35; 21,4; 26,54-56; 27,9) Juist voor lezers die bekend zijn met die teksten uit het Oude Testament zijn dergelijke verwijzingen nuttig, misschien zelfs overtuigend. Een derde aanwijzing zie je in het geslachtsregister, waarmee Matteüs zijn boek opent. (1,1-17) Waar Lukas teruggaat tot de eerste mens, gaat Matteüs terug tot de ‘eerste Jood’, Abraham.

 

Matteüs’ boek is voor christenen een belangrijke bron over het leven, sterven en de opstanding van Jezus. Het leven in de navolging van Jezus krijgt daardoor een sterke impuls. Maar als het waar is dat het allereerst juist de joods-christelijke gemeente in Antiochië betrof, dan zijn de ‘heidenen’ dus nooit ver uit zicht. Het leven als christen in deze gemeenschap van joodse leerlingen van Jezus is uiteraard eerst gericht op de eigen volksgenoten. Dat is wellicht een gespannen verhouding geweest. In de loop van de eerste eeuw groeide het verzet tegen de mensen die achter Jezus aangingen. Het is dan ook niet vreemd dat het onderwerp van lijden om je geloof meer dan eens ter sprake komt. (5,11-12; 10,28-33; 24,8-10) Maar tegelijk legt ook dit evangelie de basis voor de zending onder de niet-Joodse volken. Nu het evangelie van Matteüs in de canon is opgenomen en ook voor ons bron en norm is, krijgen wij een mooie gelegenheid ons te blijven herinneren dat de christelijke kerk sterk verbonden is aan het Joodse volk.