Ik weet niet

Ik weet niet wat ik van hem ben.
Al in zijn dromen roep ik de Morgenster,
doe ik een schicht en schrikt hij wakker.

 

Staan we op, dan kom ik uit zijn woorden.
Ik ben de gril, de flits, ik maak hem als een kind
zo blij. Zijn schaduw ben ik niet,
daar ben ik intussen veel te licht voor.

 

Hij laat me los als ik zijn spiegel ben,
onder de douche geef ik een kus.
We drogen af, hij zalft mijn hoofd
tot ik het zwijgen ertoe doe.

 

Hij luistert stemmen en hij spreekt.
Ik weet: straks valt de nacht en eens
ben ik de nieuwe schepping. Morgen.

Als wij de Here God

Als wij de Here God met diepst ontzag
bezingen, begint mijn arm te zwaaien
op het ritme van mijn overleden vader

 

alsof mijn geloof ervan afhangt.

 

En dat is ook zo, alleen zwaai ik
met links, is mijn arm veel smaller
en maak ik minder brede slagen,

 

maar ik ben dan wel weer net als hij
verdrietig bij de volkomen uitkomst
dat we er dan het zwijgen toe doen.

Tijd om te gaan

Ik volg haar ogen, knik:
daar treffen wij elkaar.
Dit schikt nu alle lagen goed.
Wij vouwen het verbleekte doek
met zorg naar binnen.
Nog iets meer naar mij toe,
dan rollen wij het leven dicht
en drukken laatste lucht
uit onze plooien.
Als jij nu aan de touwtjes trekt
en ik het stille hart aanwijs,
leg jij de strik. Een mooie.
Tijd om te gaan.

U woelt

U woelt met blote handen aarde om
en delft ons op. Wij trekken weg en lopen uit
en bloeden bloei in breedte, hoogte, lengte,
slaan diepe wortels naar beneden. Daar vallen
doden bij en voor Uw aangezicht steken wij met schop
en schuiver aarde open, dekken lijken tegen gieren.
Laat maden onze botten breken, God, delf op
voor bloei die geen oog ooit zag, geen oor hoorde,
geen mensenhart verzon om U daarmee te loven,
op omgewoelde aarde.

Mens erger je niet

Mens-erger-je-niet speelden wij. Mijn pionnen
en die van mijn broer en mijn zus lagen ver voor
op grootmoeder toen zij de bewuste scheet liet.

 

Mijn broer keek mij geërgerd aan, zonder reden,
mijn zus riep iets onverstaanbaars richting mijn broer
en grootmoeder glimlachte naar mij.

 

In een punt des tijds stonden de pionnen
er heel anders voor. Grootmoeder
won de partij en ik werd tweede.

 

Ik lig er soms nog wakker van.