Vrij en verantwoordelijk

De film die in 2006 gemaakt werd naar aanleiding van Thea Beckmans succesvolle jeugdboek Kruistocht in Spijkerbroek (1973) wijkt sterk af van de boekversie. Althans, de opening. In de film wil Dolf zijn mislukte voetbalactie overdoen. Zonder toestemming van zijn moeder (de wetenschapper die het transmissie-apparaat beheert) wil hij zich even terug flitsen. In het boek biedt Dolf zichzelf aan als proefkonijn en dr. Simiak en dr. Kneveltoer (bijna Bordewijk, die namen) kunnen de verleiding niet weerstaan. Zo’n initiatiefrijke jongeman die samenspant met twintigste-eeuwse vooruitgangsdrang past bij een belangrijk thema van het boek. Wij voeden tegenwoordig onze kinderen op tot ondernemende, zelfstandige mensen die kritisch nadenken. Dat is het grote verschil met de middeleeuwse standenmaatschappij. De vaste sociale verhoudingen onderdrukken de onderlinge verantwoordelijkheid. Beckman draait er niet omheen en komt als schrijver nadrukkelijk uitleg geven. Wat denk je hiervan:

 

“Zonder er bewust naar te streven ontpopte Dolf zich, bijgestaan door de student, als de werkelijke leider van de Kinderkruistocht. Want hij had uit de twintigste eeuw iets meegebracht wat het merendeel van deze kinderen totaal onbekend was: verantwoordelijkheidsgevoel. Sociaal besef. Dat was hem, kind van de twintigste eeuw, met de paplepel ingegoten. Voor hem waren alle kinderen elkaars gelijken. Hij maakte geen onderscheid tussen lijfeigenen, kinderen van edel bloed, kinderen van vrije burgers of verschoppelingen. Hij beoordeelde elk kind op eigen waarde en mogelijkheden en wie een bepaalde aanleg bleek te bezitten voor een bepaalde taak kon ervan verzekerd zijn dat die taak hem werd toegewezen. Zo werd Peter, die zijn leven lang niet anders was geweest dan een ellendige slaaf, de onbetwiste leider van de visploeg.” (70-71; zie ook 62, 101, 117, 153, 186-187, 196-197, 254)

 

Overigens, het verhaal is goed verzonnen. Uitgaande van de legendarische verhalen over een kinderkruistocht in de 13e eeuw neemt ze je mee in een boeiend relaas over wat er gebeurde – vanuit ons perspectief. De reactie van de steden en de burgers op zo’n 8000 pelgrimerende kinderen, de interne organisatie van zo’n massa mensen, de gevaren van struikrovers en epidemieën, het geloof in wonderen en de grote verwachting van de bescherming door de Heilige Maagd, het is echt leuk om te lezen. De kritische houding van Rudolf Wega van Amstelveen blijkt uiteraard terecht: bij Genua zal de zee niet splijten en Jeruzalem zullen de duizenden kinderen niet bereiken. Wat ik niet meer wist – ik las het boek voor het eerst in 1977 – was de werkelijke drijfveer van de tocht in dit boek: slavenhandel. Twee pseudo-geestelijken hebben een deal gesloten om kinderen uit West-Duitsland en Noordoost Frankrijk naar Italië te krijgen om hen dan te laten verschepen naar Noord-Afrika. Dolf ontdekt het en dan loopt het slecht af met de corrupte leiders. Maar intussen zijn de jonge lezers in de twintigste eeuw vooral bevestigd in het besef dat er geen bovennatuurlijke machten zijn.

 

“Nicolaas prevelde snel: ‘In Genua zal God een wonder verrichten.’
‘Wat voor wonder?’ stoof Dolf op. ‘De zee zal droogvallen… ja, gelóven jullie dat werkelijk?’
‘God heeft het mij beloofd,’ zei Nicolaas.
Dolf snoof minachtend.
‘De kinderen zullen je verscheuren als dat wonder niet plaatsvindt,’ gromde hij. Nicolaas verbleekte en rilde even.” (98, zie ook 146, 187, 207, 219, 236-237, 245)

 

Je kunt wel over wonderen spreken, vindt ook Beckman, maar dan heb je het over een bijzondere ontmoeting (68) en vooral over de liefde. Want dat is uiteindelijk waar het om gaat. Dat laat de schrijfster aan het einde dan ook haar held onder woorden brengen:

 

“’Ik heb zoveel geleerd, Dom Thaddeus, ook van u.’
‘Van mij, wat dan?’
‘Goedheid. Liefde voor de medemens. Trouw.’
‘Dat is onze christenplicht, mijn zoon.’
‘U handelde niet uit plicht, maar uit liefde.’
… en die liefde hebben we vergeten in latere eeuwen, dacht de jongen. Nee, niet helemaal. In de twintigste eeuw hebben de mensen een heel stelsel van sociale wetten opgebouwd, waardoor zieken, armen en invaliden niet langer van honger omkomen, zoals nu… Maar wat hebben we met de liefde gedaan? Met die eenvoudige, bijna sluwe liefde van Dom Thaddeus? Die hebben we vergeten, en vervangen door formulieren in vijfvoud.” (302)

 

Naar aanleiding van: Thea Beckman, Kruistocht in spijkerbroek. Rotterdam: Lemniscaat, 1976 (eerste druk 1973). Zij kreeg er in 1974 de Gouden Griffel voor. De kaft is van F. van Vliet.

 

 

Het ontroerende verhaal van onschuldige kinderen die op weg waren om het Heilig Graf te herstellen maar een tragisch lot moesten ondergaan, werd binnen een halve eeuw na de eigenlijke expeditie een populaire legende. Taalkundige en sociale analyse suggereert echter dat de kruisvaarders van 1212 geen kinderen waren, maar eerder arme mensen aan de rand van de plattelandsgemeenschap die doordrongen waren van de idealen van de cultus van apostolische armoede. (pueri als aanduiding van een sociale klasse, niet van een leeftijdscategorie). Ze geloofden dat God na het mislukken van de gewapende kruistochten de machten van deze wereld onwaardig had geacht om de heilige plaatsen te redden, en in plaats daarvan de armen tot een goddelijke uitverkorene had gemaakt om deze taak te volbrengen. Aldus Peter Raedts artikel uit 1977.

 

De verfilming door Ben Sombogaart staat geheel op Youtube; dit is de trailer: Crusade in Jeans.

Klik hier voor het bekende gedicht van  Martinus Nijhoff over de Kinderkruistocht.

Afgunst, een zonde

Aviad Kleinberg heeft me iets belangrijks leren zien: afgunst en jaloezie gedijen in de sfeer van de ongelijkheid. In zijn boek over de zeven hoofdzonden behandelt hij uiteraard de invidia, de afgunst. Hij neemt aan dat zij in oeroude tijden ontstaan is en tot een diepgewortelde houding is ingebrand: “Diep van binnen leven we vanuit het eenvoudige principe: rijkdom en plezier zijn niet onbeperkt; wat ik heb kan me worden afgenomen; als jij het hebt, heb ik het niet.” (57) Kleinberg (1957), hoogleraar geschiedenis aan de universiteit van Tel Aviv, raakt de roos wat mij betreft als hij de westerse waarde van gelijkheid plaatst in het kader van een wereldbeschouwing met ook dubieuze kanten: “Het is niet moeilijk om alleen de negatieve – hebzuchtige, materialistische, obsessieve – kanten van onze wereldbeschouwing te benadrukken; maar we zullen ook moeten inzien dat ze het fundament vormen van onze westerse drang om het patriarchaat en de dictatuur uit te bannen, en dat het, ondanks de nadelen en de hypocrisie, de egalitaire idealen van onze samenleving tot uitdrukking brengt.” (72) Je kunt wel als monnik ernaar streven om hebzucht en bezit op te geven, maar de keerzijde is dat je je begeeft in een wereld van ongelijkheid en hiërarchie. Niet iedereen is gelijk in positie of status en alleen als je dat diep innerlijk aanvaardt kun je van jaloezie vrij worden. Anders gezegd: afgunst is de (bijna) onweerstaanbare drang om de ander te evenaren of te overstijgen.

 

Ik las een roman over afgunst: Miguel de Unamuno’s Abel Sánchez. Bezig met het verhaal van Kaïn en Abel (Genesis 4) tipte De Bijbel cultureel (2009) mij deze Spaanse roman uit 1917. Geïnteresseerd las ik het boek uit en eindigde teleurgesteld. De stijl is zwak, de personen niet levensecht, het verhaal niet spannend. Joaquín Monegro is jaloers op zijn vriend Abel Sánchez. Dat gaat over een vrouw (Helena), aandacht en eer (beroep en reputatie) en elke poging om hem gelijk te worden mislukt. In het tweede en derde geslacht wordt de strijd voortgezet tot de dood van beiden erop volgt.
Het lijkt me een boeiend thema maar boeiend werd het niet en ik begrijp van de vertaler, Bart Peperkamp, dat de schrijver zelf ook het boek ‘naargeestig’ vond. (156) Merkwaardig, denk ik dan, waarom publiceer je het dan? Peperkamp: “Waarschijnlijk kwam Unamuno met Abel Sánchez dicht in de buurt van zijn ideale roman: een vertelling die ontdaan is van irrelevante zaken en alleen de essentie weergeeft, een skelet van een verhaal dat buiten een bepaalde plaats en tijd is geplaatst. Het gaat daarbij om het innerlijke proces dat een mens doormaakt, dus inderdaad niet om een ‘geschiedenis vol passie’, maar om de ‘geschiedenis van een passie’. (155, zie ook 169)

 

Hij neemt aan dat het boek de eigen ervaringen van Unamuno weerspiegelt. Daar is natuurlijk weinig mis mee. Het schrijven van een saai of matig boek is echter daardoor niet gerechtvaardigd. Maar goed, het thema is van belang en actueel (zoals alle zeven hoofdzonden). “In feite is Joaquín zonder reden afgunstig en zijn woede is irrationeel,” schrijft Peperkamp. “Hij protesteert tegen zijn leven vol verbittering, maar kan en wil dat ook niet opgeven.” (160) Dat is precies de heikele kwestie: waarom kunnen wij afgunst zo moeilijk opgeven?
Ik denk dat er twee opties zijn: of je gelooft dat er in essentie geen verschil is, of je legt je neer bij het verschil. Het eerste kan ontstaan door de vervullende aanwezigheid van een geliefde. Je bent niet jaloers of je partner van een ander als iemand jouw leven compleet vervuld en zo de wezenlijke kern van je bestaan vormt. Volgens mij is de ervaring van goddelijke aanwezigheid voor koning-dichter David de aanleiding geweest om zijn meest beroemde lied te schrijven: “De HERE is mijn herder, mij ontbreekt niets.” (Psalm 23)
Het tweede kan ook gebeuren: je accepteert dat een ander meer heeft dan jij. Je zet geen actie op touw om gelijkwaardig te worden omdat je het normaal vindt dat er hiërarchie en verschil is. Dat hoeft geen fatalisme te zijn, het kan ook gerijpte bereidheid zijn om je te schikken naar het bestaande verschil. Conservatief, dat wel, antirevolutionair is het ook, en toch werkelijk een bron van innerlijke vrede. Het eerste kan goed samengaan met het tweede: een vervullende relatie is genoeg om te voorkomen dat de onderlinge verschillen steken. Het gaat dus uiteindelijk om de visie op de vrede in jezelf. Dat noteert ook Peperkamp puntig: “Joaquín wil geliefd zijn, maar weigert liefde. Hij wil gewaardeerd worden, maar weigert waardering. En zijn grootste vijand zijn niet de anderen, maar hijzelf.” (163)

 

Naar aanleiding van: Miguel de Unamuno, Abel Sánchez: Een geschiedenis vol passie. Leiden: Menken Kasander & Wigman, 2011. Oorspronkelijke titel Abel Sánchez (1917), vertaald uit het Spaans door Bart Peperkamp.

 

Aviad Kleinberg, 7 Hoofdzonden: Een zeer onvolledige lijst. Kampen: Ten Have, 2009. Vertaling van 7 deadly sins: a very partial list, Edition dus Seuil, 2008. Vertaald door Karl van Klaveren.

 

 

Marcel Barnard en Gerda van de Haar, De Bijbel cultureel: De Bijbel in de kunsten van de twintigste eeuw. Beeldende kunst (Wouter Prins), film (Sylvain De Bleeckere), theater (Max Smith), klassieke muziek (Johan Snel), popmuziek (Pieter Sierksma), literatuur (Jaap Goedegebuure). Zoetermeer/Kapellen: Meinema/Pelckmans, 2009: “Van het vriendenpaar Abel en Joaquin, de hoofdpersonen in deze roman van de Spaanse schrijver Unamuno (1864-1936) gaat het de eerste in alle opzichten voor de wind, terwijl de tweede de grootste moeite heeft zich in het bestaan te handhaven. Afgunst, haat en zelfs moordlust zijn het gevolg, zeker nadat Joaquin ook nog heeft moeten dulden dat zijn geliefde nicht met Abel is getrouwd. Als hij zijn rancune uitspreekt wanneer Abel op zijn sterfbed ligt, overleeft die de schok niet en krijgt Joaquin daarvan de schuld. Dan weet hij zich verdoemd door een op hem drukkende erfzonde.” (45-46)

 

Schuldig plezier

Stel je voor: iemand staat achterop in de bak van een rijdende pick-up truck. De auto neemt een bocht, de man weet zich niet staande te houden en hij valt van de wagen af. Hij verongelukt zo zwaar dat hij daarna levenslang invalide zal blijven. Maar de bestuurder stopt niet en brengt de wagen terug naar het bedrijf. Gevraagd naar de afwezigheid van de gevallen man, zegt hij dan tegen zijn baas: “Weet ik het!” riep de Vries. “Waarschijnlijk is ie d’r afgevallen. Na de laatste klant heb ik hem niet meer gezien.” Dit is onbegrijpelijk, harteloos, wreed en strafbaar. Op het kantoor van het bedrijf werkt de zoon van de man als jongste bediende. De reactie van de baas is de constatering dat De Vries waarschijnlijk te hard heeft gereden. Met de zoon van die man moet hij nu eerst nog even naar het postkantoor. Zo gezegd, zo gedaan.

 

Het kan niet waar zijn, toch? Klopt, het is een voorval uit Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp van Heere Heeresma. In 1972 verscheen die boek als een ‘zedenschets’ en het is snel duidelijk dat de werkelijkheid steeds zwaar overdreven wordt. De overdrijving is echter steeds het geval bij situaties die eigenlijk helemaal niet kunnen: moreel of sociaal volstrekt verwerpelijk. Het gezinsleven van Han en zijn beide ouders in de arbeiderswoning is permanent gespannen en onbetrouwbaar. De onvoorspelbaarheid van vader wordt begeleidt door de verraderlijkheid van moeder. Han is steeds bezig de lieve vrede te bewaren en gezelligheid te scoren. “Ze schrokken allemaal van die verschrikkelijke uitval. Meteen dook hij er midden in. Redden wat er te redden viel. Anders bleef te tv uit. ‘Kom vader. We doen allemaal ons best om het zo goed mogelijk te doen. Zo degelijk mogelijk en zo verrassend mogelijk,’ begon hij. ‘Ieder op ons terrein doen we ons best… Moeder doet haar best. U doet uw best…’ ‘En waarom doe jij je best dan niet. Luilebol! Waarom kom jij altijd met die rotcijfers thuis? Waarom… Donder op. Verdwijn uit mijn ogen!’ Even verschoot de kamer en hij voelde waterlanders komen. ‘Moeder?’ smeekte hij maar moeder keek laf een andere kant uit en begon in haar aardappelen te prakken.” (13, zie ook 28, 36, 66, 68, 105, 114-116)

 

Deze en andere passages maken mij erg aan het lachen. Hoe komt dat toch? Wie het boek leest merkt dat het een parodie is. Je hoeft niet perse te weten welk ander boek uit de Nederlandse literatuur op de hak wordt genomen (De Avonden van Gerard van het Reve uit 1947) om te zien hoe de gezapige werkelijkheid van de jaren zestig en zeventig geridiculiseerd wordt. Het is een zedenschets die kritisch wil zijn. Dat is immers de taak van de parodie: “Parodie: Spottende nabootsing. Een satirische literaire vorm waarin de spot gedreven wordt met een literaire stijl of een bepaalde mentaliteit door deze op een overdreven manier na te bootsen, zodat de door de parodist te signaleren feilen voor iedereen duidelijk worden.” (Letterkunde van A tot Z, 188) Lachen om de bijtende passages is zo heerlijk ingewikkeld. Het is eigenlijk schandelijk maar het is tegelijk hilarisch. De hoofdpersonen mislukken voortdurend en omdat je dat kostelijk vindt, voel je je een beetje schuldig. Dit is eigenlijk verboden humor en gelukkig is er niemand die je op je nummer zet. Met dat je erom lacht, accepteer je de bedoelde kritiek. Wie alles serieus neemt en de impliciete kritiek van de spot afwijst, meent blijkbaar dat de aangevallen waarden verdedigd moeten worden.

 

Hugo Brems neemt Heere Heeresma op in de beschrijving van de Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur 1945-2005. Hij plaats hem in een reeks nieuwe schrijvers van na 1970. Zij schreven verhalen over herkenbare voorvallen, met aandacht voor detail. “Zij zijn veelal in de ik-vorm geschreven en geven uiting aan een melancholisch levensgevoel.” (350) Han de Wit noemt hij een ultieme parodie. “De roman speelt zich af binnen een gezin waarin Han enig kind is, en dat voorkomt als een transpositie van het gezin van Frits van Egters uit De Avonden naar de jaren zeventig. Dezelfde naargeestigheid, hetzelfde als zorg en liefde vermomde sadisme in de relaties tussen de gezinsleden. Zowel de kleinburgerlijkheid, de benepenheid en de banaliteit, als de onverschilligheid en de afstandelijkheid, de reductie van de anderen tot objecten en het vasthouden aan een façade van netheid en fatsoen zijn hier dermate uitvergroot dat slapstick en leedvermaak het winnen van tragiek. Zelfs de presentatie van het boek, de stijl en het taalgebruik ervan halen hun effect uit het spel met de clichés van de realistische roman, de zedenschets en de moraliserende vertelling. Terwijl het onophoudelijk regent, wordt het gezin getroffen door de ene ramp na de andere, zonder dat de artificiële gezelligheid daaronder lijdt.” (351)

 

Ik ben in die jaren opgegroeid. In een groot en harmonieus gezin leerde ook ik die overzichtelijkheid van de Nederlandse samenleving kennen. Duidelijk werd ook dat wij een scholing kregen die onze ouders gemist hadden. Direct na de oorlog droeg de werkende klasse bij aan de opbouw van Nederland. Dat verschil in opleiding wordt ook schitterend uitgespeeld in Han de Wit. Taal is een belangrijk onderdeel van de spanning: Han weet met Latijnse citaten zijn vader tot razernij te brengen, zijns ondanks:

 

‘Sancta simplicitas!’ bracht hij eruit.
‘Zo is het genoeg, Han!’ bemoeide moeder er zich mee. ‘Vader heeft heel wat minder kansen gehad dan jij en is natuurlijk niet zo gestudeerd. Maar dat wil niet zeggen…’
“Laat hem zijn gang gaan,’ viel vader moeder in de reden. ‘Wat betekent dit nu weer, Han?’ En tot zijn ontzetting zag hij hoe vader zijn sigaretje met vuur en al tussen zijn eeltige vingertoppen fijn wreef. ‘Ach,’ zei hij, om van het gezeur af te zijn. ‘Niets bizonders.’
‘Jawel, Han. Ik wil het weten.’ Vaders stem klonk zacht en hees.
‘Zoiets als Heilige Onnozelheid,’ ze hij en schoof op zijn beurt zijn bord weg. ‘Durs est hic sermo. Oftewel:  Deze woorden zijn hard, zeer hard.’ ‘Weet je wat hard is,’ zei vader en stond langzaam op. ‘Mijn hand op je wang, snotneus, Geitebreier. Jan Hen!’ (38)

 

Ik mijn ronde langs de boeken uit de middelbare schooltijd kwam ik gelukkig weer langs Han de Wit. Ik heb er toen al stevig om gelachen, ik doe het zoveel jaren later weer.

 

Naar aanleiding van: Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp of over het leven, streven en sneven van een gewone Hollandse jongen, genoteerd door Heere Heeresma. De Prom achter het station van Baarn. 16e druk januari 1990 (Leed en vermaak-editie). 1e druk april 1972.

 

Letterkunde van A tot Z2. samenstelling door Cees van der Zalm. Aanvullingen en bewerking: dr. E.C. S. Jongeneel. Utrecht: Het Spectrum, 2001 (Eerste druk 2001). Het boek is een bewerking van Prisma van de Letterkunde dat in 1990 verscheen bij Het Spectrum.

 

Hugo Brems, Altijd weer vogels die nesten beginnen. (Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur 1945-2005). Amsterdam: Bert Bakker, 2006.

 

 

Henk Reurslag, Han de Wit verplettert Frits van Egters: Een vergelijkend onderzoek van Heere Heeresma’s Han de wit gaat in ontwikkelingshulp en Van het Reves De Avonden. Baarn: De Prom, 1986. De oplage van deze uitgave (De Prom Bibliofiel) bestaat uit duizend genummerde exemplaren en tien auteursexemplaren, ongenummerd. Dit is nummer: 966. “Heeresma geeft dan een beeld van de Nederlandse samenleving van de jaren zeventig: een ontkerstende maatschappij, waarin harteloze ouderen (Hans ouders, de werkgevers en -nemers in het boek, de buren die helpen en hun goedgeefsheid die blijkt uit het met lompen gevulde pak kleren) de goedwillende, maar verder ook niet wetende Han nauwelijks tot steun zijn. Tijd en ruimte zijn in HdW in zoverre motieven dat ze er niet toe doen: de inhoud strekt zich uit tot heel Nederland, alle Nederlanders van de twintigste eeuw zou je kunnen zeggen. Al met al een treurig beeld van de samenleving, ook en dat is weer een overeenkomst met De Avonden, maar de wijze waarop HdW vorm heeft gekregen, zorgt ervoor dat het boek niet gaat tegenstaan, want de treurigheid werkt indirect: die overvalt de lezer als hij is uitgelachen. En dat is weer een verschil met De Avonden.” (54-55) Dit boekje maakt ook helder hoe geloof en godsdienst een rol spelen in de beide boeken. (50, 55, 62, 103)

 

 

In 1990 werd naar aanleiding van het boek een film gemaakt door Joost Ranzijn met Koen Bouw en Nelly Frijda. De hele film is te zien op Youtube. Klik hier. Ik heb er niet om kunnen lachen.

Familieverhalen

“Ze hield van de koortsige lucht, het groene delirium
in de bladeren als een late wind opgeklopt en versneld –
een overvloed aan stormwolken met kleuren als een pruim.”

 

De kleur van een pruim is donkerpaars. Wolken met die kleur voorspellen weinig goeds. Het zal tekeer gaan en dat is gevaarlijk. Niet iedereen is bang voor onweer maar om te zeggen dat het een onschuldig buitje is, gaat velen te ver. In dit gedicht van Christian Wiman ontmoeten wij een vrouw die van de koortsige lucht houdt: heet, onrustig, opgeklopt tot een delirium.

 

“Niets kon haar dan van het veld afhouden,
van het wachten, alleen omgeven, in de brekende hitte
terwijl de bliksem flitste en verdween om haar heen,
donder rammelde de ramen, ik herinner me…”

 

Nu presenteert zich ook de verteller: er is iemand die zich deze vrouw herinnerde. Tegen de algemene verwachting in leek zij het gevaarlijke van bliksem en donder te waarderen. Zij zocht het op en als er al een waarschuwing klonk, of wellicht een weerhoudende arm, zij negeerde het en trok het open veld in. Alleen. De ramen rammelen. Zit de ik-figuur daarachter naar haar te kijken?

 

“…de verhalen die ik mijn familieleden hoorde herhalen
van hoe geesten door haar duidelijkste woorden spraken,
haar plotselinge welsprekende verwarring, opgesloten ogen,
de stormen waar ze van hield omdat ze niet van haar waren:”

 

Nee, het zit toch anders. De verteller vertelt door. Hij heeft zelf verhalen gehoord. De lezer is de volgende luisteraar. Binnen de familie herhaalt men hoe de vrouw als een soort medium werkte. Men verstond de ‘spirits’ in haar taal die aan de ene kant verward was en aan de andere kant duidelijk. Heel plotseling gebeurde dat, zoals de bliksem plotseling kan inslaan. Met een mooie observatie (of is het een duiding?) bedenken wij ineens dat het onweer over de velden een externe storm was. Innerlijk had zij ze ook, maar deze waren ‘niet van haar’.

 

“haar witte gezicht onder de ontlastende luchten
omgedraaid om de brandwond te voelen die nooit kwam:
het woedende inzicht en het einde van pijn.”

 

Er ligt hoop op het witte gezicht. Want de bliksem ontlast de wolken, zij regenen zich leeg en je kunt je er alles bij voorstellen dat een mens dat ook eens wil meemaken. Een belast mens zoals zij wil toch eens de doorbraak van het inzicht – wat is hier gaande? – ook al is het furieus in je hoofd of hart. Het einde van de pijn die de innerlijke storm blijft verzaken. Waarom vertelt hij ons dit? Zit het in de familie, dat men het er steeds over heeft? Betrekt hij ons in de familiegeschiedenis omdat de ik-figuur gelooft dat wij familie zijn. En dus ook deze verhalen over onrust en hoop moeten delen. Gelooft hij soms dat wij ook een dergelijke onrust in ons hebben?

 

Nog een vraag blijft over. De titel van het gedicht. In het Engels: Revenant. Google translate zegt: “Een persoon die is teruggekeerd, vooral, naar men veronderstelt, uit de dood. Zo zijn lange vingernagels, of soms zelfs helemaal geen nagels, kenmerkend voor vampiers, ‘revenants’ en andere wezens met de status ‘ondood’.” Het kan passen bij het herinneringskarakter van het gedicht. Het gaat over een gestorven familielid over wie de verhalen nog de ronde gaan. Gaat ze rond, wraakzuchtig, zoals een gebruikelijke associatie bij revenant is? In elk geval bezoekt zij de verteller. En door zijn gedicht te lezen, ook mij. En jou, lezer.

 

Naar aanleiding van: Christian Wiman, The Long Home. Washington: Copper Canyon Press, 2007. Ik kreeg de bundel cadeau van HJR ter gelegenheid van mijn promotie in oktober 2016. Het was het jaar waarin de Nederlandse vertaling verscheen van Wiman’s My Bright Abyss: Meditation of a Modern Believer uit 2013. Voor een causerie van Wiman over zijn eigen werk, klik hier.
In 2015 speelde Leonardo DiCaprio de hoofdrol in de film The Revenant. Het gaat over pelsjager Hugh Glass die voor dood wordt achtergelaten door z’n maten. Als hij toch overleeft, keert hij terug om wraak te nemen. In 2016 won de film drie Oscars: regie (Alejandro González Iñárritu), acteur en camerawerk. Klik hier voor de trailer.

 

 

Revenant

 

She loved the fevered air, the green delirium
in the leaves as a late wind whipped and quickened –
a storm cloud glut with color like a plum.
Nothing could keep her from the fields then,
from waiting braced alone in the breaking heat
while lightning flared and disappreared around her,
thunder rattling the windows, I remember
the stories I heard my relatives repeat
of how spirits spoke through her clearest words,
her sudden eloquent confusion, trapped eyes,
the storms she loved because they were not hers:
her white face under the unburdening skies
upturned to feel the burn that never came:
the furious insight and the end of pain. (13)

Riddereer

Eer dank je aan anderen. Zonder hen is zij er niet, en heb je haar niet. Mensen kunnen je de eer geven, bij je sterven zelfs de laatste eer. Elkaar respecteren werkt als olie in de motor van de samenleving. Maar mensen kunnen elkaar ook onteren. Belediging, laster, roddel, misbruik, aanranding, zeg het maar en je snapt wat dat doet. Je voelt je schandalig behandeld, gekrenkt. Nu zijn er culturen waarin je dan verplicht bent je eer te verdedigen of te herstellen. Als je ervan afziet stapel je op je gezichtsverlies nog een tweede afgang. Terwijl je juist credits verdient door het duel aan te gaan. De dader moet nu vernederd worden of zelfs gedood. Eerwraak is een groepswaarde.

 

Hermann Huppen heeft zich goed gerealiseerd dat in de middeleeuwse standenmaatschappij eer een centrale plaats had. Als een ridderqueeste de serie De Torens van Schemerwoude doortrekt, dan kan het niet anders of eer komt ter sprake. In deel 1 leidde dat tot een steekspel tussen ridder Aymar en de zoon van heer Eudes. Deze gooit een handschoen in het gezicht van Aymar die eerst nog koel reageert “Ik begrijp dat u vijandschap tegen mij voelt, maar ik verzoek u dringend u verder te onthouden van het bezoedelen van mijn eer! …”  Maar de dwaze jongen repliceert met: “Wat? U verzoekt mij – Haha! Heer Aymar, elke ware ridder zou allang met staal hebben geantwoord: waar is die eer waar u de mond zo vol van heeft?!” (Babette, 22) Dat zal de jongen vervolgens weten. In het toernooi delft hij het onderspit en sterft.

 

In deel 2 van de serie is het bijna vertederend hoe de kleine Basilius van Caulx zijn eerste lessen ridderlijkheid aan de dag legt. Het kasteel van zijn vader wordt beroofd door een groep struikrovers onder leiding van een man met een steenbokschedel op z’n hoofd en een dierenvacht als mantel. Enkele, eveneens ontheemde horigen, broeder Ignatius en Basilius overleven het en schuilen in de buurt als een ruiter arriveert die vaardig met de kruisboog om kan gaan. Het is Eloïse van Grimbergen. Als broeder Ignatius haar welkom heet, corrigeert de kleine man hem: “Ik Basilius van Caulx, enig erfgenaam van mijn overleden vader, de heer van Caulx, ben heer van dit land en deze mensen. Op grond van dat recht nodig ik u graag uit op mijn leen te komen uitrusten van uw tocht, onder mijn beschutting…” (23) Subtiel toont het volgende plaatje zijn deplorabele toestand: een teen die door een kapotte schoen steekt, een vuile mantel. Eloïse, volwassen als zij is, reageert in stijl: “Ik dank u zeer, heer Basilius, hoe kan ik zo’n aanbod weerstaan?” Zo geef je eer en respect.

 

In het vervolg blijkt dat Eloïse net als Aymar en zijn schildknaap doelgericht op pad. Het hervinden van de torens van Schemerwoude beheerst het leven de laatsten. Aymar is er verjaagd toen hij acht jaar was, vernemen we. (29). “Eloïse is een personage dat gedreven wordt door wraak.” (Helden en Koeien) Zij jaagt op de man met de steenbokschedel. Hij heeft haar misbruikt en haar vader belegerd. Zij wist te ontkomen: “Sindsdien achtervolg ik u,” zegt ze als zij de man met een kruisboogpijl tot stilstand heeft gebracht, “van ruïne tot ruïne, maar steeds kwam ik te laat! … Tot vandaag!” (44) Zo ook hier de sociale orde weer hersteld, de eer van haar vader gewroken. Ook Aymar heeft zijn ridderplicht vervuld, al was hij in eerste instantie weinig enthousiast. Basilius deed een appel op hem: “Vrouwe van Grimbergen is niet langer alleen! Welk doel haar queeste ook moge hebben, het valt samen met het mijne! En nu de voorzienigheid ook u hier gebracht heeft, Heer Aymar, doe ik een beroep op uw ridderlijkheid en verzoek ik u met ons mee te strijden.” (31) Lichte drang van Olivier hielp hem over de drempel. (35, 37)

 

De beste bijrol  in deze episode is voor het oude mannetje en zijn kip aan een touwtje, Aldegonde. Hermann vertelt hierover in Helden en Koeien: “Een van de nevenpersonages die me erg beviel in Schemerwoude was de oude boer en zijn kip. Ik heb ‘m bedacht nadat ik een oude man in een tuintje zijn kippen te eten zag geven terwijl ik een fietstochtje rond Brussel maakte. Hij naderde op een heel liefdevolle manier een ouwe kip die was neergestreken op een hondenhok en hij praatte ertegen… Ik heb het tedere beeld gebruikt van een oud mannetje dat er alleen is voor zijn dier en ik heb oorzaken bedacht voor die affectie. De ouderling heeft geen familie. Hij wordt uitgescholden, hij dient tot niets. En in de middeleeuwen was men niet mals voor nutteloze monden die moesten gevoed worden. Ik heb dus een klein verhaaltje, parallel aan de hoofdintrige, verzonnen waarin de kip – ook al een nutteloos beest want ze legt geen eieren meer – in de kookpot dreigt te eindigen. Temidden de razernij van de intrige is dit een vleugje menselijkheid.”

 

Naar aanleiding van: Hermann, Eloïse van Grimbergen (De Torens van Schemerwoude 2)2. Zelhem: Arboris, 1989. Oorspronkelijk in het Frans gepubliceerd in 1985. Scenario en tekeningen van Hermann, inkleuring door Fraymond.

 

Hermann, Helden & Koeien. Zeldegem, Saga uitgaven, 2014