Diep verbazingwekkend

 

Mijn oudste broer was in mijn jeugd de eerste van de kinderen in ons gezin die een eigen platenspeler kocht. Het zal in de jaren zeventig geweest zijn. Het was een Aristona met groen-oplichtende tiptoetsen, als ik mij goed herinner. Ik keek vol bewondering en licht jaloers zijn kamer in. Toen kwamen er ook platen en singles. Een van de iconische langspelers die hij kocht was de soundtrack Jonathan Livingston Seagull van Neil Diamond (1975). Vervoerende muziek, ik vind het nog steeds. Later hoorde ik ook de andere Diamondnummers die klassiek zijn geworden, zoals Beautiful Noise, You don’t bring me flowers. Onvergetelijk is ook  Song Song Blue op het live album Love at the Greek, met een bijdrage van Helen Reddy en Henry Winkler… “Come here, Helen!”

 

Zo’n tien jaar geleden kocht ik Home Before Dark. “Op 14 mei 2008 kwam zijn album Home Before Dark op de eerste plaats binnen in de Billboard Top 200, het was zijn eerste Amerikaanse nummer 1-album,” leer ik van Wikipedia. Deze 2020-zomer heb ik de cd nog eens helemaal doorgeluisterd. Hij inspireerde me tot gedichten. Maar het meest was ik getroffen door de vergaande eerlijkheid van de allang gelauwerde singer-songwriter: “The fourteen months spent furiously writing and then recording this album included some of the highest points of my life so far and some of the lowest, too.” Hoe ervaren hij ook is, het produceren van nieuw werk is geen routine. Bovendien is hij eigenlijk maandenlang afwezig. Grappig herkenbaar is dat hij ook van plotselinge invallen leeft. In de praktijk van het gewone leven dienen de vondsten zich aan: “A note I had written to myself one night about getting my girl Rae home before dark after a trip caught my eye the next day while I was shaving: ‘Get her HOME BEFORE DARK’  Ah-ha! Simple words gave birth to a song that became the title track for this record.”

 

Dan komt het moment waarop anderen er wat van moeten vinden. Eerst zijn lief, dan Rick Rubin, de producer, en de sessiemuzikanten. “The emotional ‘butterflies’ begin. Up until now I only had to concern myself with one tough critic… me. I felt exposed and vulnarable… Do you like them enough to spend weeks and months in the studio trying to make them come alive on a record?”

 

De kwetsbare eerlijkheid kenmerkt ook de verschillende nummers. Het gaat over thuis komen, nog voor het donker over je leven valt. Thuiskomen bij je geliefde zonder wie je machteloos in het leven staat. Daarover gaat het nummer Power of Two: “I was not gonna got through the night without the power of two, me and you.” Neil vertelt een aardige anekdote: “Rick would occansionally visit us out in the studio, have a quiet word with one of the musicians or whisper something to me, like: ‘In het buddisht religion the power of two people praying together is infite.’ Then he’d pad barepoot back into the dark of the control room where he’d lied down on the couch behind the engineers and go trancelike again into the music, leaving me to figure out what the hell he was talking about since the song I was working on was already about ‘The power of two’- not in prayer but in love – and there wasn’t a goddamn Buddisht in sight tot ask what he meant.”

 

Het lied dat mij het meest aansprak was Pretty Amazing Grace. John Newton schreef in de achttiende eeuw de christelijke klassieker Amazing Grace. Geboren in 1725 ging hij al op z’n elfde varen op het schip waar zijn vader scheepskapitein was. Vanaf 1745 diende hij op een schip dat slaven uit Afrika haalde. “Hij wilde van het geloof van zijn vrome moeder niet meer weten en leidde een losbandig leven,” schrijft dr. H van ’t Veld in Met mond en hart, over de achtergrond en boodschap van bekende liederen. (114) Newton las De navolging van Christus van Thomas a Kempis en kwam tot bekering na een hevige storm.  Wegens ziekte kwam hij aan de wal te werken en werd door invloed van opwekkingsprediker George Whitefield dominee. “In ‘Amazing Grace’ … keek hij in schaamte en dankbaarheid terug op zijn leven en vol vertrouwen naar de toekomst. Het lied had als opschrift: ‘De terugblik en de verwachting van het geloof (1 Kronieken 17,16-17)’.” (114)

 

Dit is de belijdenis van Neil Diamond:

 

You forgave my insensitivity
And my attempt to then mislead you
You stood beside a wretch like me
Your pretty amazing grace was all I needed.

 

Voor Neil Diamond betekent ‘verbazingwekkende genade’ dat de innerlijke leegte wordt opgevuld. Gezien het geheel van het album gaat het allereerst over de vrouw die hij liefheeft. Maar zoals met veel liefdesliederen is de verwijzing naar de Heer nooit ver weg.

 

Stumbled inside the doorway of your chapel
Humbled in God by everything I found
Beauty and love surround me
Freed me from what I fear
Ask for amazing grace and you appeared

 

Diamond varieert de titel van de klassieke gospel met het woord ‘pretty’: Pretty Amazing Grace. Hoe vertaal je dat? ‘Best verbazingwekkend’, zoals de Google Translate voorstelt? Lijkt me te weinig. Ik hoorde laatst deze korte dialoog: “How bad is it? Pretty bad.” Hoe vertaal je dat? “Hoe erg is het? Heel erg.” Diep verbazingwekkende genade, zoiets zou ik vertalen. Het gaat tenslotte niet over kleinigheden, aldus Neil:

 

You overcame my loss of hope and faith,
Gave me a truth I could believe in.
You led me to that higher place
Showed me that love and truth and hope and grace were all I needed.

 

Naar aanleiding van: Neil Diamond, Pretty Amazing Grace, op de cd: Home Before Dark, 2008. “Fan van vooral het eerste uur Rick Rubin, die eerder de carrière van Johnny Cash een zeer waardig einde had gegeven met de American Recordings-reeks, haalde Diamond naar zijn studio en liet hem daar nieuwe songs schrijven. Op de oude manier met een akoestische gitaar en schrijfblok. Vervolgens werden de songs op een sobere manier opgenomen met spaarzame muzikale invulling en zonder drums. Het album 12 Songs bleek een volslagen verrassing en werd een waar verkoopwonder. En Diamond werd ineens weer serieus genomen en op waarde geschat.” (Dick Hovinga op de website  Written in Music)

 

Dr. H. van ’t Veld, Met mond en hart: Bekende liederen, hun achtergrond en hun boodschap. Amsterdam: Buijten & Schipperheijn Motief, 2010 (herziene en uitgebreide heruitgave van Bekende liederen en hun verhaal dat in 2000 verscheen bij Boekencentrum).

 

Het of jij

Het onvervulde

 

Dit is het onvervulde, een bed vol man
dat leeg voelt,
dekens die een lichaam bedenken
dat naast haar ligt distant te zijn

 

de man blijft een slapende vreemde

 

ze heeft dit lichaam nooit begrepen
het liep voor haar,
het sliep naast haar, maar het spelen met pinken
is er nooit geweest.

 

In haar hoofd staat ze langzaam op
ze laat het lichaam slapen
trekt een trui aan over haar nog warmte aan
loopt weg in haar eigen huis

 

Laurine Verweijen, Gasthuis, 60

 

De eerste indruk van de inhoud van dit gedicht is eenvoudig. Een vrouw kan de man die het bed met haar deelt niet begrijpen. Zij gaat uit bed en loopt bij hem weg. Opvallend is het woord ‘distant’, een verkorting van ‘distantie’, een deftige, soms technische aanduiding van het algemenere ‘afstand’. Het loopt uit het taalregister. Bij nader inzien voldoet ook de interpunctie niet aan de verwachtingen. Het gedicht begint met een hoofdletter en daarna volgt er nog een, het eerste woord van de laatste strofe. Die strofe eindigt niet met een punt, geen enkele regel overigens, op het slot van de voorlaatste strofe na. Waarom daar wel? Ik tel vier komma’s (regel 1,2,7,8) waarbij die in 2 en 7 niet noodzakelijk lijken in vergelijking met andere regels. Het gedicht oogt mooi open, met name door die ene losse regel tussen de eerste twee strofen. Elke strofe is opgebouwd uit vier regels en samen klinkt het eenvoudig vertellend (op dat ene woord na dan).

De dichteres opent de lezersblik voor een vrouw die de man niet begrijpt en daarmee een leegte constateert: ‘een bed vol man/dat leeg voelt’. Fraai beeldend is de derde zin: ‘dekens die een lichaam bedenken’, maar even treffend tekent de schrijfster de verwijdering die dat lichaam oproept. Zij loopt weg bij het slapende lichaam en beschermt de warmte die zij heeft. Het valt me op dat die laatste strofe begint met ‘In haar hoofd’. Gaat ze dan alleen in gedachten bij hem weg en blijft zij in werkelijkheid liggen, in de gezamenlijke warmte? Hoe ook, ‘vreemd’ en ‘leeg’ zijn kernwoorden in dit gedicht. En ik denk dan: waarom heb je het steeds over ‘het’? Je schrijft zelf dat ‘spelen met pinken’ er nooit is geweest. Met zie z’n pink? Heeft hij een naam?

 

Eerder in de bundel las ik dit gedicht:

 

zwanger van onbevruchting koortst mijn lichaam zich holle
vormen ineengebogen op bed lig ik deinend op mijn zij,
ik kantel op mijn knieën en ellenbogen, mijn gezicht
gedrukt tussen de kussens, verfrommeld na een
leegzwetende nacht, als een paard bries ik
vocht in het katoen (14)

 

De vorm wijkt af ook hier van wat we gewend zijn. De regels springen steeds verder in. Aan het slot zijn de regels steeds korter dan de voorgaande en zo ontstaat een trechtervorm, gecentreerd op de pagina. Heeft dat te maken met het thema van het gedicht? De dichteres bespreekt de menstruatie. Nu ja, bespreekt, dat is te beschrijvend, zij poogt taal te vinden voor een zeer ongemakkelijke, terugkerende vrouwentijd. De openingscyclus Notities trillingen, melkglas, trapezewerk (10-17) is eraan gewijd. Zij creëert uit het zelfstandig naamwoord koorts een werkwoord, zij breekt de combinatie ‘holle vormen’, laat komma’s weg, maar plaatst ze toch ook wel. Er komt een punt, maar aansluitend dan weer geen hoofdletter. Als lezer zie ik compacte tekstblokken die vol staan van pijn die ik nooit zal kennen. Het heeft met lichaam te maken, veel lichaam. Als man kan ik teksten maken over mijn mannelijkheid, ook over ongemak en pijn, maar niet over ‘zwanger zijn van onbevruchting’. Deze vrouw ervaart een ‘leegzwetende nacht’ en hier komt het woord ‘leeg’ weer, dat nog vele malen zal terugkeren in de bundel. De vrouw is niet alleen vreemd aan de man, ook aan het eigen lichaam in haar maandelijkse confrontatie met de mogelijkheid van kinderen krijgen. Er volgt later een gedicht over het kiezen voor kinderloosheid (41) en over abortus (65) en alles staat onder spanning. De bundel is een lange poging om taal te vinden voor de vreemdheid van het lichamelijke bestaan.

 

Hoe krijg je contact met je lijf en hoe leef je in vrede met wie je bent? Misschien is het te vergelijken met de intermenselijke vervreemding door verschil. Dialoog is de weg naar vrede, zegt Jonathan Sacks. Als verschil God-gewild is, als God en mensen van nature relationeel zijn, dan is gesprek de weg om onbegrip te bestrijden. Zou je dat ook kunnen toepassen op het eens worden met je lichaam? In het titelgedicht Gasthuis noteert de dichteres in cursief: ‘tijd, ik in deze tijd, ik in deze ik’. Zij is er niet in thuis, er hangt een onbehagen in haar borst, ‘te leeg om je geest er bij in de buurt te krijgen’ of, ook mooi gezegd: ‘je krijgt/geen van je zintuigen er om heen/en zodra je je denken er bij in de buurt/probeert te brengen/sijpelt het weg…’ (23) Als je je zo ingewikkeld verhoudt tot je lichaam, overweeg eens een verbond te sluiten. Verbond is niet beperkt tot specifieke condities en omstandigheden. Het heeft een open einde en een lange duur. Verbond gaat over relaties. De partners erkennen van elkaar dat zij niet zonder elkaar kunnen. Verbondsrelaties hebben eigen waarden en vragen aandacht en dialoog. Ga van ‘het’ naar ‘jij’.

 

Naar aanleiding van: Laurine Verweijen, Gasthuis. Amsterdam: Van Oorschot, 2020. De bundel werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs voor het beste debuut, maar won ‘m niet. “Gasthuis valt als debuut direct op,” lees ik bij de toelichting, “al is het maar door de taboedoorbrekende thematiek: Mag een vrouw er ook bewust voor kiezen geen kinderen te willen? Verweijen weet op een mooie manier vorm, inhoud en taal te balanceren. Met gevoel voor compositie werkt ze een serene en gelaagde bundel uit waarin klassiek metier de taboedoorbrekende problematiek versterkt. Gasthuis is een bundel waar je naar terugkeert waarbij de gedichten bij elke herlezing nieuwe lading krijgen.

Laurine Verweijen is dichter en werkt als strateeg. Zij publiceerde eerder in De RevisorTijdschrift Terras en Het liegend konijn. In 2016 won zij de tweede prijs bij de Turing Gedichtenwedstrijd. Verleden voorjaar verscheen van haar het eerste gedicht over de lichamelijkheid van de menstruatiecyclus, in De Gids.”

 

Jonathan Sacks, The Dignity of Difference: How to Avoid the Clash of Civilizations. London: Bloomsbury, 2003 (revised edition).

 

De wereld meten

Alexander von Humboldt, ik kende hem niet. Dat was ook zo gebleven als ik van mijn goede zwager niet het boek van Andrea Wulf als cadeau had gekregen. Het ligt deze zomer van 2020 in grote stapels in de boekhandels. De Nederlandse vertaling van het oorspronkelijk Engelstalige boek uit 2015 doet het goed. Ik snap het, Alexander van Humboldt heeft een waarlijk avontuurlijk leven geleid. Ook is hij in zijn leven (1769-1859) onwaarschijnlijk populair geweest. Hij gold wereldwijd als de belangrijkste geleerde. Toch is hij niet in het rijtje iconische figuren als Copernicus, Galilei of Newton terecht gekomen – althans niet in mijn opleiding. Daar moest wat aan gedaan worden, vond Wulf. “Met dit boek heb ik gepoogd Humboldt te herontdekken en hem zijn rechtmatige plaats in de eregalerij van natuurwetenschappers terug te bezorgen.” Zij voegt eraan toe: “Het is ook de uitkomst van mijn zoektocht naar de oorsprong van de huidige denkbeelden over onze natuurlijke omgeving.” (29, proloog)

 

Andrea Wulf laat zien hoe de wereldreizen van deze energieke Duitser hem brachten tot visioenen die nu nog circuleren. De wereld is een netwerk, de verschillende soorten van leven zijn van elkaar afhankelijk, over de hele wereld liggen verbanden. Alleen als wij het in een groot geheel beschouwen krijgen wij inzicht. Von Humboldt deed dat inzicht voor het eerst op bij de beklimming van een berg in Zuid-Amerika, in het huidige Ecuador. “Tegen het einde van zijn leven sprak hij er vaak over dat je de natuur alleen kon begrijpen vanuit een hoger ‘standpunt’, vanwaar de verbindingen ook werkelijk zichtbaar waren. Het was hier, op de Chimborazo, dat hij dat voor het eerste besefte. In ‘één oogopslag’ overzag hij de hele natuur.” (122, zie ook 215, 221, 323, 413)

 

Je kan het leven van deze wonderlijke man ook anders tot je nemen. Lees dan de roman van Daniel Kehlmann. Terwijl ik bezig was met Wulf herinnerde ik mij dat ik de naam van Humboldt toch eerder was tegengekomen. In 2013 bood dagblad Trouw een serie van tien romans aan en een daarvan was Het meten van de wereld van de Duitse jonge romanschrijver Daniel Kehlmann (* 1975). Ik moest er erg om lachen. Naast Von Humboldt trakteert hij ons op nog een wonderlijk man, Carl Friedrich Gauss (1777-1855). Een briljant wiskundige. Beiden wilden de wereld opmeten, maar de een trok er op uit terwijl de ander het gewoon denkend aan tafel wilde doen, met pen en een blad papier voor zich. De twee hebben elkaar ontmoet in 1828 en Kehlmann laat ons met humor zien hoe wereldvreemd deze mannen in de werkelijkheid van toen stonden. Grootheid kan worden bewonderd maar het maakt je niet minder eenzaam.

Toch is ook Kehlmann zich bewust van enkele grote vragen die bij de inzet van deze mannen te stellen zijn. Aan het slot volgen we Eugen, de zwaar miskende, zelfs vernederde zoon van Gauss. Hij is Duitsland uitgezet en arriveert in Tenerife. “Een autochtoon met poncho en wollen muts bleef staan, wees ernaar en riep iets in het Spaans, wees naar de grond, wees omhoog, weer naar de grond. Een duizendpoot met ongewoon lange voelhorens klom tegen Eugens broekspijp op. Hij keek om zich heen. Zoveel nieuwe planten. Hij vroeg zich af hoe ze allemaal zouden heten. Anderzijds – wie interesseerde het! Het waren maar namen.” (287)

 

Is dat zo? Zijn het maar namen? Adam gaf de dieren namen. Het is een vorm van erkenning, maar ook beheersing. En als we gaan groeperen, zitten we altijd met een paar exemplaren die niet in onze overzichten passen. Het vraagt een open mind en echte aandacht om dat wat niet past toch naar waarde te schatten. Onderzoek om te bewonderen is anders dan onderzoek om te controleren. De genderdiscussie is er ook een voorbeeld van: er zijn mensen die niet passen in het duale man-vrouwbeeld. Wie zijn zij dan wel? Alleen de ander zelf kan helpen om de goede taal te vinden.

 

In dat verband is het grappig dat over Von Humboldt werd gezegd dat hij misschien homoseksueel was. “Tijdgenoten schreven over Humboldts ‘gebrek aan ware liefde voor vrouwen’, en in een krantenartikel van later datum werd met het woord ‘bedgenoot’ gesuggereerd dat hij wellicht homoseksueel was,” lees ik bij Wulf. (116, zie ook 214) Ook Kehlmann komt er subtiel op terug. Als Alexander op hoge leeftijd nog eens met zijn oudere broer Wilhelm spreekt, laat Kehlmann hen terugkijken op het leven:

 

“Niemand, zei Humboldt, had een bestemming. Je nam alleen het besluit er een te simuleren, tot je er op een gegeven moment zelf in geloofde. Maar er was zoveel dat er niet bij paste, je moest jezelf ontzettend geweld aandoen.
De oudere leunde achterover en keek hem lang aan. Nog altijd de jongens?
Dat heb jij altijd geweten?
Altijd, zei de oudere.” (253)

 

Naar aanleiding van: Daniel Kehlmann, Het meten van de wereld. (Nederlandse vertaling van Die Vermessung der Welt, vertaald door Jacq Vogelaar). Ook uitgegeven in de reeks Europese Literatuur van dagblad Trouw in 2013. Hierboven verwijs ik naar de paginering van deze Trouw-editie.

 

Andrea Wulf, De uitvinder van de natuur: Het avontuurlijke leven van Alexander von Humboldt.13 Amsterdam/Antwerpen: Atlas/Contact. 2020  Vertaald door Mariella Duindam en Fennie Steenhuis. Oorspronkelijke titel The Invention of Nature, 2015.

 

Lernen

De eenentwintigste druk van een roman, dat is niet gering. Ik las Parnassia van Josha Zwaan en snap wel dat het boek druk na druk beleeft. Het is goed geschreven en het raak een gevoelig thema: meisje Rivka (4 jaar) wordt door haar joodse ouders bij een christelijk ouderpaar ondergebracht en na de oorlog blijft zij daar – ook als haar vader en broer haar komen halen. Zij is Anneke geworden. Wat waren de gevolgen hiervan in haar leven? Vanuit het perspectief van de zeventigjarige Anneke luisteren we naar een het relaas van een diep beschadigd leven.

 

Het boek geeft reden tot een goed gesprek. Misschien wel meer dan een. Wat mij vooral trof was de rol van de pleegouders – een predikantenechtpaar. Zij hebben zelf geen kinderen en nemen het meisjes uit liefde op: gehoorzaam aan de Heer en gedreven door liefde voor de verdrukte naaste. Zij willen haar graag in huis houden na de oorlog, ook om haar te ‘redden’ van haar Joodse cultuur. Het christelijk geloof is immers beter. Hoe eenvoudig en overtuigend dat is voor die ouders blijkt vooral uit de brief die zij schrijven als Anneke gaat trouwen. Er is dan al veel afstand gegroeid tussen de jonge vrouw en haar pleegouders. Hoeveel distantie Anneke ook ervaart ten opzichte van het jood-zijn, christen is zij ook niet geworden. “God lijkt wel een beetje op de wind,” zegt zij op een gegeven moment na het tafelgebed. Soms is Hij er wel, dan weer niet, Hij is soms zacht en soms sterk. Als haar vader haar dan prijst om haar vondst, voegt zij eraan toe: “Maar ja, van de wind weten we tenminste dat hij bestaat.” (122) Moeder krijgt bijna een hartverzakking.

 

Zo komt de twijfel voortdurend boven. Vooral Gods bestuur van de wereld staat ter discussie. (133, 137, 217, 324, 329). Welke lezer vindt dat vreemd als je ziet wat een oorlog aan ellende veroorzaakt, meer dan een generatie lang? Toch ziet de dominee-pleegvader een speciale oorzaak, een typisch joods kenmerk. In de brief beschrijft hij dat zo: “Door hun cultuur van vragen stellen, alles tot op de grond uitpluizen en bestuderen, het eeuwige lernen, is het voor hen niet mogelijk geweest simpelweg te geloven dat de Messias gekomen is. Hoe moeilijk was het voor Jezus om geloofd te worden in die context van discussiëren, ontkennen, wegredeneren. Gelukkig waren er toen ook verlichte geesten die durfden vertrouwen in wat Jezus zei. Dat is het ware geloof, Anneke, niet weten, maar vertrouwen.” (160)

 

Dat lernen is diep verankerd in de Joodse traditie en theologie. God schiep mens en wereld goed, tof. Maar de wereld is niet af. De mens werkt met de Eeuwige mee. De mens kan scheppen en vernietigen. Adonai gaf de Torah, met de verordeningen (mitswot), taken en opdrachten die de mens door toepassing moet toetsen op hun waarde. Dat leidt tot het voltooiingsproces. Als de mens de verordeningen niet bestudeert, leidt dat tot vernietiging en ondergang. Die studie doe je samen, dat is lernen. Annekes man Joost gaat na de oorlog steeds meer die weg op: “’Talmoedstudie is een eeuwig op weg zijn, wetend dat er altijd meer te begrijpen valt dan in een heel leven past.’ Ze staarde hem aan. Zoveel woorden had hij in weken niet gesproken. ‘ik mis het. Het lernen.’ Lernen, Sjoel. Ze zag zichzelf weer door de kerk lopen aan de hand van papa. Het huis van God waar niet gepraat werd, alleen gezongen en geluisterd. Haar verbazing over de stilte van deze plek, terwijl haar vader het huis van God altijd beschreef als een huis vol leven, gelach en vurige gedachtewisselingen.” (186, zie ook 334 waar Sandra haar moeder verteld dat ze zich heeft aangemeld door een groep, om te lernen).

 

Ik herken het punt van Anneke’s vader wel. Hij leefde met de gereformeerde traditie over geloven als een vast vertrouwen en een zeker weten. Dat laatste was een zekerheid die wel verdedigd kon worden maar nooit ontwikkeld – zo leek het. De jaren waarin ik groot werd was de periode van stilstand in de theologie. George Harinck en Wim Berkelaar hebben dat treffend beschreven in Domineesfabriek. In die zin ben ik jaloers op de Joodse insteek. Toch merk ik dat ik niet meekom in de achterliggende theologie. Hoe gepassioneerd de Joodse orthodoxie ook kan zijn, voor mij kan de drang naar leren alleen relationeel gevoed worden. Ik ken de Heer Jezus Christus. Ik zeg het Paulus na: “Ik wil Christus kennen en de kracht van zijn opstandig ervaren, ik wil delen in zijn lijden en aan hem gelijk worden in zijn dood, in de hoop misschien ook zelf uit de dood op te staan.” ( Filippenzen 3,10) Zo zal lernen nooit theoretisch blijven en altijd doorgaan. Hoe kun je een persoon uitputtend kennen? Hoeveel is er in de loop van de jaren niet bij te stellen in je Godsbeeld?

Ik geloof dan ook van harte niet wat de dominee in zijn brief betoogt. Hij mist het existentiële verlangen van zijn pleegdochter om persoonlijk gekend te worden. Hij komt er het meest dichtbij als hij aan het slot van zijn brief haar joodse naam weer noemt: “Voor ons blijf je Anneke, maar misschien zou het juister zijn jezelf weer Rivka te noemen.” (160). De Heer kent ons bij name.

 

Naar aanleiding van Josha Zwaan, Parnassia.21 Amsterdam: Ambo/Anthos, 2016 (eerste druk 2010). In de Tweede Wereldoorlog scheurde de Gereformeerde Kerken – de Vrijmaking. “Er was iets anders aan de hand, ze had hem er meet mama over horen praten. Er was ruzie tussen de mensen van zijn kerk. ‘Waar is de liefde en saamhorigheid gebleven?  We zijn toch een lichaam van Christus?’ Papa had heel verdrietig geklonken toen hij dat zei. Hij had het over wetten en regels, klanken die de oude buikpijn opriepen. En over een nieuwe kerk. Er waren zelfs plannen voor een gebouw.” (80, zie ook 89: “Vrijgemaakt noemen ze zich. Vrij. Alsof ik ze gevangen hield. Terwijl zij zich opsluiten in hun eigen regels.”)

 

George Harinck, Wim Berkelaar, Domineesfabriek: Geschiedenis van de Theologische Universiteit Kampen. Amsterdam: Prometheus, 2018.

 

Opgraven… en dan?

‘Alles van waarde is weerloos,’ schreef Lucebert in het gedicht De zeer oude zingt (1954). Ellen Deckwitz zinspeelt erop in haar debuutbundel De steen vreest mij: ‘Ze maakt alles van weelde eerloos.’ (27) Ze, dat is de moeder van de ik-persoon in de bundel. Moeder komt er niet best af. Zij heeft een alcoholprobleem: ‘Onze moeder kan een voetstuk op (één teug)/ze drinkt al jaren onder de tafel.’ (15). Ook grootvader treffen we in de bundel aan. Hij zet bij een documentaire over de jappen de televisie harder: ‘Knokkels tegen lippen/te weinig sigaretten/voor dit gesprek.’ Dat klinkt ook al niet vrolijk. Dan het broertje. De ik zit met zijn broertje ‘onder de grote eik’. So far so good, maar die eik bloeit het liefst aan de rand van een dodenakker. Dus wat is hier ‘onder de eik’? Grootvaders, moeder en broertjes zijn teruggezonken (20). Er is wat op te graven. Wat levert dat op?

 

Alles is onder een steen gelegd en de bundel gedichten vormen de hamerslagen op de steen. Die moet eraan geloven. Hier het gedicht waaraan deze bekroonde debuutbundel de titel ontleend:

 

Ik graaf mijn broertje op. Zijn bekken
eleganter dan een lelie en beenderbleek
de vingers, poten van grondig bint.

 

Mijn donkere koten die in de aarde
rondwaren, woelend
tot een weldoorvoede regenworm
de kieren van een kleine teen doorsnijdt.

 

Mijn broertje hoest kluiten op,
zinkt terug wel ik kan er tegenop
graven, de steen vreest mij
omdat ik hem stuk zal slaan.

 

Ellen Deckwitz, De steen vreest mij, 43

 

Het gedicht is typerend. Ik neem even aan dat ‘koten’ iets als ‘handen betekent, er staan verder geen onduidelijke woorden in. Wel een vreemde zin: ‘zinkt terug wel ik kan er tegenop’ Hier lijken woorden weggevallen of verkeerd geplaatst. Dat het lijk van broertje terugzinkt is wel op een of andere manier verstaanbaar. Dat de ik-persoon ergens tegenop kan graven, ook goed. En als er voor en na ‘wel’ twee komma’s hadden gestaan was de zin prima overgekomen. Maar wat doet dat ‘wel’ zonder komma’s nu in de zin? De dichteres hanteert verder de leestekens normaal.

 

Omdat de rijm, regellengte en ritme verder weinig hulp bieden, gebruik ik foregrounding als manier van lezen. Erica van Boven en Gilles Dorleijn wijzen erop dat er norm wordt overschreden: “De taaluiting valt op omdat er op een of andere manier wordt afgeweken van wat normaal is (van wat je normaal verwacht). Foregrounding wordt zo gekoppeld aan normen (of: regels) die de waarnemer kent.” (44) Jan van Luxemburg, Mieke Bal en Willem G. Weststeijn schrijven in Over Literatuur: “Foregrounding kan op verschillende wijzen plaats vinden, door equivalentie, maar ook bijvoorbeeld door het gebruik maken van afwijkende of ongrammaticale constructief of door metaforiek.” (39) Deviatie en equivalentie zijn de twee principes waarmee de lezer aan het werk kan.

 

Ik heb deze bundel een en andermaal gelezen. Ik maakte lijstjes van woorden en turfde hoe vaak zij voorkomen. Bomen (takken, eik), vingers (handen), dodenakker (skelet, letselsterfte) in veelvoud. Naast grootvader, moeder en broertje komen we jappen, allochtonen en ‘de eerderen’ tegen. Lijf, lichaam en eten, het is alles even problematisch. Het is duidelijk dat de steen eraf moet: de familie disfunctioneert. Dat is nu helder. Het is ‘out in the open’. Maar als die deksteen stukgeslagen is en je kijkt naar de ellende eronder, wat dan? Het gedicht op bladzijde 43 is het laatste. Wat nu?

 

Naar aanleiding van: Ellen Deckwitz, De steen vreest mij. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2012. Bekroond met de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut. Op de Poetry International-website schrijft Janita Monna over haar: “Kan Deckwitz op een podium geestig zijn, en theatraal, haar gedichten op papier kunnen flink onbehaaglijk zijn. Haar debuut vertelt een verhaal over moeizame familierelaties, kinderangsten en complete ondergang. Surreële scènes worden afgewisseld met nare en ook met humor opgetekende beelden van een jeugd. Van een moeder die te veel drinkt, bijvoorbeeld: ‘Onze moeder kan een voetstuk op (één teug),/ze drinkt al jaren onder de tafel.’”

 

Erica van Boven, Gillis Dorleijn, Literair mechaniek: Inleiding tot de analyse van verhalen en gedichten. Bussum: Coutinho, 1999

 

Jan van Luxemburg, Mieke Bal, Willem G. Weststeijn, Over Literatuur. Bussum: Coutinho, 1999