Achter de deur sta jij

Op zaterdagavond 20 december 2008 komen Marianne en ik terug van een feestje. Het is rond half elf. We vinden een bericht van TNT Post. Er is een pakje voor ons bezorgd aan de overkant. De volgende ochtend komen de overburen het pakket brengen. Ik verwacht geen bestelde boeken, dus ik ben benieuwd. De verrassing is een cadeau van het Nederlands Dagblad. De Brandaan van de christelijke poëzie, samengesteld door Rien van den Berg. Ik had al het plan dat boek te kopen. Dat hoeft nu niet meer. Hoe aangenaam.

 

 

 

We lunchen. Ik bereid de middagdienst voor en doe een dutje. Een kwartier voor vertrek naar de kerk pak ik nog even de Brandaan. Onbevangen blader ik er doorheen, zo met m’n duim de bladzijden van achteren naar voren loslatend. Ineens zie ik de titel: Achter de deur sta jij.

 

 

 

Ik houd de adem in. Ik heb een gedicht geschreven met die titel. Het kan toch niet dat dát erin staat!? Ik pak het boek in beide handen, pagina 113. Dat is mijn gedicht! Ik lees dat het geschreven door Anoniem. Ik lees het gedicht nog eens. Het is echt mijn tekst. “Joh, ik sta in dit boek,” zeg ik tegen Marianne. Zij kijkt amper op. Ik word warm. Vergis ik me? Ik raak in een staat van opwinding. Ik blader naar de inhoudsopgave, pagina 347: ‘Anoniem, ongepubliceerd (2006)’. Dat is inderdaad de tijd dat ik gedichten opstuurde naar Rien van den Berg. Hij reageerde enthousiast destijds. Ik doe het gele leeslint bij bladzijde 113 en check boven nog even voor het vertrek naar de kerk: inderdaad, dit gedicht stuurde ik hem toe. Ik lach. Ik sta in Brandaan!

Met dit gedicht:

 

Achter de deur sta jij

 

In de verte was je slechts een heupbeweging, een typische tas en van dat lange haar in golven,
geen flauw idee van wie daar in de mensenmassa mij tegenkwam.

 

Halverwege, je was al bij de tourniquet, het leek wel of je iemand aansprak,
tuitte je lippen, je riep me, en toen het hoorbaar werd, begon de intercom.

 

Ik keek omhoog – door het vertrekbericht was ik je kwijt, waar ben je gebleven?
De bel, de deuren schuiven sissend dicht. Je moet daar staan. Je bent van mij in wezen.

 

*

 

Ik vind het niet mijn beste gedicht. Destijds ook al niet (de eerste versie is van 26 juli 2004). De zinnen zijn me te lang, om maar iets te noemen. Ik vraag iemand een review. Hij schrijft: “‘typische tas’ vind ik niet helemaal lekker lopen en ook een beetje gezocht; ‘in de mensenmassa’ is te lang volgens mij; ‘de bel, de deuren schuiven sissend dicht’, dat ‘bel’ is kort en krachtig en bekt wel lekker weg, maar het ‘sissend’ daarna maakt het weer zwaar en had qua metrum en klank (alliteratie van ‘deuren’ en ‘dicht’ komt dichter op elkaar te staan) beter weggelaten kunnen worden.”

 

Oké, hij heeft een punt. Een beetje klussen dus. En een nieuwe versie:

 

Achter de deur sta jij

 

In de verte was je slechts een heupbeweging, tas
en van dat lange haar in golven, geen flauw idee
wie mij daar in de massa tegenkwam.

 

Halverwege (je was al bij de tourniquet) het leek wel
of je iemand aansprak, tuitte je lippen, je riep me.
Toen het hoorbaar werd, begon de intercom.

 

Ik ben je kwijt. Het vertrekbericht, de bel,
de metrodeuren schuiven sissend dicht.
Je moet daar staan. Je bent van mij in wezen.

 

*

 

Nog ben ik niet tevreden. Ik laat de titel weg. De strofe-indeling opnieuw. De slotzinnen lever ik in. Waarom zou die onbekende ‘in wezen’ van mij zijn? Laten we concentreren op het onbereikbare. De afstand neemt toe na de eerste gedachte aan herkenning. Dan krijgen we zoiets:

 

In de verte was je slechts een heupbeweging, tas
en van dat haar in golven, geen flauw idee
wie mij daar tegenkwam.

Je was al bij de tourniquet –
het leek wel of jij iemand aansprak,
tuitte de lippen. Jij riep mij.

 

Toen ik hoorbaar werd, begon de intercom,
het vertrekbericht, de bel, de metrodeuren
schuiven sissend dicht.