Witte onschuld en een negerhut

De dood van Floyd George heeft veel losgemaakt. De zomer van 2020 staat geheel in het kader van het covid19-virus als deze man sterft door politiegeweld in Amerika. De grote demonstratie op de Dam in de hoofdstad is het startsein van een serie protesten in andere  Nederlandse steden – coronabeperkingen of niet. Ook in Zwolle. Ik ben niet geweest, hoewel ik die zondagmiddag wel had gekund. Soms vraag ik me af of ik niet had moeten gaan. Mijn dochter stond erbij in Rotterdam.

De twijfel wordt sterker nu ik Witte onschuld, het boek van Gloria Wekker, uit heb. Lucide weet de emeritus hoogleraar Gender en Etniciteit de mechanismen van schuld en onschuld rond het thema racisme te beschrijven. Niet eerder las ik zo’n overtuigende analyse van de Zwarte Pietdiscussie. Het schokt om je realiseren dat het al veel langer bezig is dan je denkt. Terwijl wij nog vrolijk feestvierden klonken de klachten al. De lijst met argumenten ter verdediging van Zwarte Piet is intussen zorgwekkend lang. De lijst wast echter de vlek niet weg. Hij stilt de pijn niet die mensen voelen en hij brengt het debat niet tot bedaren.

 

Want wij hebben een onverwerkt verleden. Wat heb ik als kind geleerd over het koloniale verleden van Nederland? Eigenlijk alleen de heldenverhalen van de geweldige Gouden Eeuw en de Vereenigde Oostindsiche Compagnie. Als er al strijd werd geleverd dan was het tegen de vijanden die onze vrijheid bedreigden. Dat er ook door de Hollanders velen zijn mishandeld en vermoord ter wille van onze handelsbelangen werd niet gememoreerd. Prof. Wekker schrijft: “Noch de schaamte en het ongemak die verbonden zijn met het loutere bezit van een imperium en de wreedheden ervan, die regelmatig opvlammen en vervolgens, met gemeenschappelijke instemming, weer uitdoven, noch de plezieriger aspecten van het imperium, waarvan iedereen in de metropool profiteerde, zijn goed verwerkt.” (223) Het is precies dat woord ‘verwerken’ dat moeite oplevert. Hoe zou het moeten? Eerst beschrijven en eerlijk benoemen. Uit de doofpot halen. Dan erkennen van aangedaan leed, van schuld en schaamte. Uitspreken van je falen zonder te bagatelliseren. Niet zelf de verzachtende omstandigheden noemen, laat dat een ander doen als die er zijn. Aanbieden van excuses aan eventuele nabestaande of terecht belanghebbenden. Ik snap hoe lastig dat is over een verleden van 400 jaar geleden. Ik snap ook hoe moeilijk je schuld ervaart als je niet persoonlijk hebt bijgedragen aan het kwaad. Toch blijkt steeds dat excuses van staatshoofden en regeringsleiders welkom ontvangen worden door mensen die gekwetst zijn. In deze context probeer ik te begrijpen waar de weerstand tegen een dergelijke verwerking op gestoeld is. Ik moet passages uit Witte onschuld herlezen. Dat zal me helpen.

 

In het hoofdstuk over Zwarte Piet noemt Wekker als terloops ook De negerhut van Oom Tom van Harriet Beecher-Stowe. In 1850 introduceerde de Nederlandse onderwijzer Jan Schenkman Zwarte Piet ‘als de gehoorzame dienaar van Sinterklaas in een geïllustreerd kinderboek.’ In diezelfde tijd verschijnt het boek over Oom Tom. Het werd een bestseller in Nederland. Wekker suggereert dat de beelden van zwarte mensen in dat boek de representaties van Zwarte Piet hebben beïnvloed. Geritualiseerde vernedering, noemt zij het. (230) Ik herinnerde mij plotseling dat ik nog een stukgelezen (!) exemplaar van De negerhut in de kast had staan. Herlezend kwamen de herinneringen terug aan Shelby en St Clare, Tom en Chloé en niet te vergeten Topsy, Haley en Simon Legree. A. van Munching is de bewerker voor de Nederlandse kinderen die helder uitgelegd krijgen hoe de verhoudingen liggen: “Wanneer een meester van de slaven in het Zuiden sterft, betekent dat voor de slaven, wanneer hij een goede meester is geweest, niets minder dan een grote ramp. Want de slaaf is volkomen rechteloos.” (96) De kwade genius in dit verhaal is Marie St. Clare. Na de dood van haar man, Augustinus St. Clare, verkoopt zij Tom die juist van haar man de vrijheid had gekregen. Uit haar mond tekenen we de duidelijke taal op: “God heeft de blanken en zwarten geschapen, de blanken als meesters en de zwarten als de slaven!” (98) Het christelijk geloof is een dominant thema in de vertelling. Marie St. Clare legitimeert haar discriminerende houding ermee, bij Tom is het de vitale levenskracht. Hij heeft zijn Bijbeltje bij zich en schaamt zich het evangelie niet. Ik vond het toch weer indrukwekkend wat Beecher-Stowe hem laat overkomen als alle hoop de bodem ingeslagen wordt. De gruwelen van Legree richten zich steeds meer op hem. Toms trouw aan de Heer wordt zwaar op de proef gesteld als hij weet dat zijn meester niet zal ophouden hem te vernederen. Dan volgt deze passage:

 

“Terwijl hij zo zat en zijn kleren doortrokken werden van de koude, natte mist, werd in zijn ziel een grote strijd gestreden. Het gebeurt vaak, dat, wanneer men zich op het diepste punt der ellende bevindt, op het punt dat men denkt: nog een stap één ik ben reddeloos verloren, plotseling, na een laatste wanhopige inspanning men er in slaagt de last van zich af te werpen en met hernieuwde moed het komende tegemoet ziet. Zo ging het Tom ook. Toen hij eenmaal de crisis doorstaan had, voelde hij niets meer van de honger, koude vernedering en teleurstelling. Hij nam afscheid van al zijn hoop en verwachting op betere tijden. Hij aanvaardde onvoorwaardelijk zijn tegenwoordige toestand en terwijl hij zijn ogen opsloeg naar de oneindige hemel, zong hij in de stille nacht een lofzang, die hij in gelukkiger dagen gezongen had, maar nooit met zoveel gevoel als nu.” (120)

 

Het klinkt bijna romantisch, maar ik geloof het. De Heer kan je op een bepaald moment zo sterk onthechten dat je de complete, ongehinderde toewijding aan God ontvangt. Je bent vrij, niemand kan je meer manipuleren. Legree moet toegeven dat hij de macht van Tom verloren heeft. (121) Als je geen enkele invloed heb om de stand van zaken ten goede te veranderen, dan is dit de ware vrijheid. Gelukkig wist Harriet Beecher-Stowe met haar boek wel degelijk krachtige invloed uit te oefenen. Daar loopt het verhaal ook op uit. Als ten slotte George Shelby thuis komt en aan Chloé moet vertellen dat haar man Tom niet meer thuis komt, ontstaat er een soort herdenkingsmoment. Een oude neger neemt het woord:

 

“Het is een schande voor de beschaving, dat de negers niet als mensen, maar als dieren beschouwd worden en daarom is het goed, dat grote mensen, zoals oom Tom er ongetwijfeld een geweest is, voor de vrijmaking van de negers in de bres staan. Wat heeft het Christendom te betekenen, wanneer het niet in staat is, om zuiver te laten leven naar de leerstellingen van Jezus, die toch gezegd heeft, dat alle mensen broeders moesten zijn. En hij heeft waarlijk geen onderscheid gemaakt tussen blanken en bruinen. Is er ook onderscheid? Neen! In allen klopt het hart, wij ademen allen met longen, en de blanken, zowel als de negers hebben een goddelijke en onsterfelijke ziel, massa George!” (137)

 

Naar aanleiding van: Glorie Wekker, Witte onschuld: Paradoxen van kolonialisme en ras. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2018. Oorspronkelijke uitgave was in het Engels: White Innocence: Paradoxes of Colonialism and Race: Duke University Press, 2016.

 

De negerhut van Oom Tom door Beecher Stowe, uit het Amerikaans voor Nederland bewerkt door A. van Munching. Uitgave van ‘Goede Kinderlectuur’, Amsterdam. Bij dezelfde uitgever verscheen: Tom Sawyer door Mark Twain, Heidi’s meisjesjaren door Johanna Spyri en Onder moeders vleugels door Louise M. Alcott. Predikantsdochter Harriet Beecher-Stowe schreef Uncle Toms Cabin in 1852, naar men aanneemt naar aanleiding van het leven van Josiah Henson.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *