Witte, droge rivierbedding

“Zolang ik zweeg, teerden mijn botten weg, kreunend leed ik, de hele dag,” dichtte koning David eens. (Psalm 32,3) Hij bracht daarmee een algemene waarheid onder woorden. Leven met een geheim is als het dragen van een last. Biechten over wat er gebeurd is, lucht op: “Toen beleed ik mijn zonde, ik dekte mijn schuld niet toe…” Maar zwijgen heeft niet alleen effect op jezelf, ook op anderen. Wat doet het met je als je als kind na jaren hoort dat je oom een relatie heeft gehad met je moeder? Als je vrouw op een bepaald moment vertelt dat zij altijd op de hoogte is geweest van de affaire met haar beste vriendin?

 

De waarheid maakt vrij, maar creëert soms ook diepe kloven. Dat blijkt in de korte roman Het Jachtgeweer van Yasushi Inoue: Jōsuke Misugi gaat vreemd met Saiko. Midori is de vrouw van Jōsuke en zij komt er al snel achter maar zwijgt erover. Rond het sterven van Saiko leest haar dochter Shōko de dagboeken van haar moeder en ontdekt dat de verhouding dertien jaar heeft geduurd. Kort na het overlijden van Saiko krijgt Jōsuke drie brieven. Shōko vertelt hoe onthutst zij is. Het beeld van de aardige oom is kapot en de boodschap is: ik wil u nooit meer zien. (33) En tante Midori ook niet. Midori maakt ook een einde aan de relatie met Jōsuke: zij vraagt echtscheiding aan. (52) In de brief van Saiko krijgt Jōsuke te lezen dat Saiko zich altijd schuldig heeft gevoeld: ‘Zonde, zonde, zonde!’ (20, 25, 26, 29, 56) Hoe gelukkig zij ook met Jōsuke is geweest, innerlijk heeft zij er diep onder geleden.

 

Het verhaal speelt in Japan. Yasushi Inoue (1907-1991) is een Japanse woordkunstenaar. Als de Nederlandse vertaling al zo fraai is, hoe mooi moet het Japanse origineel dan wel niet zijn? Zwijgen heeft in het Verre Oosten soms een ander soortelijk gewicht dan hier. De kunst van het respect is daar hoger ontwikkeld dan hier. De vormelijkheid die de opborrelende emoties inkadert, vinden wij terug in de brieven. De harde boodschappen worden duidelijk maar heel beleefd overgebracht. Maar het neemt de diepe vervreemding van deze mensen niet weg.

 

Nu is de novelle nog subtieler in elkaar gestoken. Want het eigenlijke verhaal speelt een paar maanden later. Op een dag kort na het overlijden van Saiko en het ontvangen van de drie brieven wandelt Jōsuke Misugi naar de jachtgronden op de Amagi-berg. Daar passeert hem een onbekende. Dat is een dichter die op verzoek van een vriend een gedicht schrijft in het blad Vrienden van de Jacht. Zelf geen voorstander van de jacht tekent hij in het gedicht een jager naar het model van Misugi. In de tweede strofe herplaatst hij de jager in een verlaten landschap: “Dan zie ik in gedachten de jager niet in de vroege winterse kou van de Agami, maar achter hem strekt een verlaten, witte, droge rivierbedding zich uit.” (10) Een paar maanden later, in het voorjaar van het volgende jaar, krijgt de dichter een brief van de hem volkomen onbekende Misugi. Hij heeft het gedicht in het jagersblad gelezen en zichzelf herkend. Hij stuurt hem ook de drie brieven: “Werpt U er een blik op wanneer U er tijd voor heeft. Verdere wensen dan dat U ze leest heb ik niet. Ik wil alleen graag dat U weet wat die ‘witte, droge rivierbedding’ is die ik zelf heb gezien. Mensen zijn dwaze wezens, die graag willen dat anderen weten wie zij werkelijk zijn. Tot nu toe heb ik dat verlangen nooit gehad, maar nu ik van Uw bestaan op de hoogte ben en weet dat U een speciale belangstelling voor iemand als ik aan de dag hebt gelegd, wilde ik U ineens alles vertellen.” (15)

 

Dit is niet meer particulier, Oosters cultureel, dit is universeel humaan: wij leven in en met elkaar. Wie niet gekend wordt, bestaat niet of leeft onder een zware last. Wie zo de inzet van het verhaal gelezen heeft, kan niet wachten om de drie brieven te lezen. Om dan de terug te keren bij de dichter op de laatste twee bladzijden. En daar treffen we de ‘witte, droge rivierbedding’ weer.

 

Naar aanleiding van: Yasushi Inoue, Het jachtgeweer.2 Amsterdam: Bananafish, 2018. Oorspronkelijke titel: Ryōjū, gepubliceerd in 1949, later opgenomen in de Verzamelde Werken van Yasushi Inoue, deel 1, Tokyo: Shinchosa, 1995. De vertaling is van Jacques Westerhoven. Ivo Smits schreef de inleiding op de novelle.

 

 

Dit is het prozagedicht van de verteller:

 

Het jachtgeweer

 

Een grote zeemanspijp tussen zijn tanden geklemd, zijn setter voor hem uit, klom de man langzaam, de graspluimen op zijn pas ontwijkend, zijn laarzen knerpend over vorstnaalden, de vroegwinterse Amagi-berg op. Een gordel voor vijfentwintig patronen, een jekker van verschoten zwart leer, een dubbelloops Churchill op zijn schouder, wat is dit voor man dat hij zich zo koud heeft bewapend met een glimmend stalen werktuig om levenden mee te doden? Terwijl ik de lange jager nakeek, waarom fascineerde hij me zo?

 

Nadien, op drukke stadsstations of plaatsen van vertier, heb ik vaak gedacht: ‘Ik wou dat ik kon lopen zoals hij – langzaam, stil, koud.’ Dan zie ik in gedachten de jager niet in de vroege winterse kou van de Agami, maar achter hem strekt een verlaten, witte, droge rivierbedding zich uit. En het glimmend gepoetste geweer drukt zijn zware stempel op de al ouder wordende man, op zijn lichaam en zijn geest, en straalt een wonderlijke, bloedige schoonheid uit, die het nooit zal tonen als het op een levend wezen is gericht. (10)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *