Wijk in afbraak

In View Palace Saeki III (Setagaya, Tokio) woont Taro in flat Zwijn. De overige appartementen hebben ook namen uit de Chinese Dierenriem en van de meeste bewoners kent Taro slechts de naam van de woning. Behalve de vrouw uit flat Draak, dat is Nishi. Haar leert hij beter kennen en in de novelle Lentetuin van Tomoka Shibasaki leren wij als Nederlandse lezers via hen het moderne Japan kennen. De novelle dateert zich naar het jaar van verschijnen 2014 (101) en het is echt de vraag of je van dat moderne leven blij moet worden. View Palace Saeki III is namelijk een appartementencomplex in een wijk in verval. Steeds meer mensen verhuizen en dat is ook de bedoeling. Er komen nieuwe luxeflats. (105)

 

Verschillende lezers hebben het boek een ‘omgevingsroman’ genoemd of een verhaal over de liefde voor een huis. Het is waar, Shibasaki is goed in het beschrijven van de buurt. Met oog voor details in de architectuur en de tuinen, de routes die Taro loopt van zijn huis naar het station, het brengt je in de omgeving, het alledaagse leven van een burgerman in Tokio. Het is ook waar dat het hemelsblauwe huis dat naast de flat staat steeds meer in het centrum van de aandacht komt. In dat verband is de openingszin programmatisch: “De vrouw had haar hoofd uitgestoken over de rand van het balkon op de eerste etage en keek ergens naar. Ze bleef een tijdlang in dezelfde houding staan; handen op de reling, nek uitgestrekt.” (5)

Het is mooi om te zien hoe deze vrouw, Nishi, Taro weet te betrekken in haar obsessie. Er is in het verleden een fotoboek over het huis gemaakt (vaak ‘kluis’ genoemd, het is met een betonnen buitenmuur omgeven, 15): Lentetuin. Op een of andere manier wil mevrouw Draak erin slagen om het huis anno 2014 van binnen te bekijken. Het lukt uiteindelijk en aan het slot van de roman gaat Taro in de nacht de omheining over en dringt het leegstaande huis binnen. Hij begraaft in de tuin een vijzel en stamper en brengt de nacht door in een van de kamers van het huis.

 

Als hij wakker wordt, blijkt dat er in het huis opnames worden gemaakt. (122) Een filmcrew is bezig een take te schieten waarin gespeeld wordt dat er een vrouwenlichaam dood is aangetroffen in de tuin. Het hemelsblauwe huis blijkt de locatie voor fictie geworden met als thema de dood, mogelijk een misdaad. Het werkelijke, gewone en banale leven is vertrokken met de laatste bewoner en alleen fictie kan de locatie opnieuw tot leven brengen. Dat hadden we ook al gelezen toen de laatste bewoners het huis betrokken, de familie Morio: zonder mensen is het huis dood: “Niet alleen leefden er mensen in, ook het huis zelf leek plotseling weer tot leven te komen.” (49)
Het stemt treurig om te zien hoe aan het slot dus de dodelijke eenzaamheid van Taro en de wijk in het moderne Japan zo wordt ingepeperd. Nishi is dan ook al verhuisd, hij is een gescheiden man en zijn zus heeft een kort bezoek aan hen gebracht en is weer vertrokken. Zij was overigens niet eens van plan hem te bezoeken. Na de dood van hun vader, drie jaar eerder, hadden zij geen contact met elkaar opgenomen. Omdat zware sneeuwval een vakantietrip onmogelijk had gemaakt, gaat ze bij haar broer langs – op verzoek van haar moeder. (107) Niet wat je noemt hele warme banden.

 

Die zus betekent overigens wel een wending in de novelle. Tot vlak voor het einde lezen wij het verhaal in de verleden tijd. De alwetende verteller maakt ons deelgenoot van het afkalvende leven in de wijk. Maar op pagina 107 begint na een witregel een nieuwe alinea: “Ik bezoek Taro begin februari.” We schakelen naar de tegenwoordige tijd. En naar de eerste persoon enkelvoud van de zus. Het wordt haar duidelijk dat Taro als een soort hamster zijn kamer vol meubels heeft, onder andere uit het hemelsblauwe huis (weggegeven door de Morio’s bij hun vertrek). Op de veelheid aan zitplaatsen komt helemaal niemand zitten. Behalve dan dus toevallig zijn zus. Zij bekijkt het allemaal afstandelijk en kan de fascinatie voor het Lentetuinhuis niet delen. Zij verdwijnt in haar eigen herinneringen aan een zwerfhond en thuis in Nagoya vindt zij een melktand tussen zitvlak en armleuning van een stoel. (116) “Ik herinner me als kind ooit te hebben gehoord dat je een ondertand in de lucht moet gooien en een boventand in de grond begraven.” (117) En terwijl zij dat gaat doen klimt tegelijkertijd in Tokio Taro de tuin in van het hemelsblauwe huis en begraaft daar de vijzel en de stamper. Die hadden sporen van de botresten van zijn vader. (13-14)

 

Wat doet de passage over de zus met het verhaal? (107-118) Zij voorkomt dat wij meekomen in de huiswaan van Taro (en Nishi) en leidt ons naar de dood en de fictie. Een soort vervreemdingseffect dat temeer de treurige toestand te binnen brengt. Aan het slot van de roman verlaat Taro het hemelsblauwe huis,  op weg terug in zijn flat. Hij beschouwt het tafereel in de derde persoon: “Taro’s flat staat vol met zitmeubels. Ivoorkleurige stof heeft de hele ruimte in bezit genomen. Hij gaat op de omheining zitten en gluurt naar binnen. Achterin staat de enorme koelkast, met zijn doffe, zilveren glans. In de koelkast ligt nog tofu, herinnert Taro zich, die moet ik vandaag zeker opeten.” (124=125)

 

Ivoorkleurig, is dat niet de kleur van doodsbeenderen?

 

Naar aanleiding van: Tomoka Shibasaki, Lentetuin. Zirimiri Press, 2020. Vertaald uit het Japans door Luk Van Haute. Oorspronkelijke titel: Haru no niwa, uitgegeven door Bungeishunju Ltd., 2014.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *