Weg

Guus Middag is een aanstekelijk recensent van poëzie. Hij leest nauwkeurig en inlevend. En hij is eerlijk als het op middelmatigheid aankomt. Het geconstrueerde gedicht ‘Bijna Balans’ van Ad Zuiderent in Natuurlijk evenwicht (27) krijgt dit commentaar: “Zo’n rederijkerskunstje is knap, maar toch niet meer dan dat.” (198). Hij weet ook puntig weer te geven wanneer Zuiderent in z’n kracht komt: “Ik vind Zuiderent veel overtuigender als hij omgekeerd te werk gaat: door aan een gevoel, herinnering of gebeurtenis betekenis toe te kennen.” (198).

 

Dat gebeurt ook in het gedicht ‘Weg’ uit de bundel Geheugen voor landschap (14):

 

Ik ga naar Willemsdorp en zie de nieuwe brug.
Dit is mijn doel, want aan de overzijde
ligt niet meer wat ik zoek en wie ik zocht
is weg. Wat bindt de automobilist van nu
nog aan de smalle brug waarop hij hoopvol bromde?

 

Eens reed ik richting Brabant in de wind;
een brommer had ik, en als doel een meisje.
Een binnenschip voer onder mij, de was
hing uit; had dat een vrouw gedaan?
Misschien kwam uit haar mond wel psalmgezang;
in mijn geheugen echter waait verliefd
een wind waardoor ik niets verstond.

 

Het water is te breed, de weg te hoog:
wie zegt dat woorden tot de hemel reiken?
Wanneer ik roep, staat in Moerdijk niets stil.
Ik zwijg: ook zonder mij gaat alles over.

 

Het is helder dat Zuiderent hier varieert op Nijhoff’s ‘Ik ging naar Bommel om de brug te zien’. Maar de take-away is vooral een reactie op de Bijbel. “Zon sta stil boven Gibeon, maan, blijf staan boven de vlakte van Ajjalon.” (Jozua 10,12) Als legerleider geeft Jozua deze opdracht aan de tijdelementen om hun taak in Gods strijd te volbrengen. Het verhaal gaat dat hij er inderdaad tijd bij kreeg. Zuiderent concludeert dat er nu geen woorden zijn die de hemel bereiken. Je kunt het wel stellen, maar in zijn leven gebeurt het niet. Dat is de stelling vanaf het begin van het gedicht. Het doel ligt niet meer aan de overzijde. Was het in concreto gewoon een meisje (regel 7), in religio is het doel ook verwaaid (regel 11). Psalmgezang is onverstaanbaar geworden door de wind. Zonder transcendentie kun je reizen wat je wilt, letterlijk zonder doel. Er staat niets stil, ook in Moerdijk niet. Je gaat het water over, maar een brug met de hemel wordt niet geslagen. Het is zelfs zo dat je ook als mens erg misbaar bent: ‘ook zonder mij gaat alles over.’

 

“In zijn beste gedichten is Zuiderent een soort Bloem-op-de-fiets,” schrijft Joop Leibbrand op de website van Meander en hij vervolgt met: “…bij wie al het tobberige verwaaid is in gezonde Hollandse tegenwind, terwijl een bewaard gebleven ondertoon van ernst behoedt tegen oppervlakkigheid. En fietsen doet Zuiderent, in bijna alle vorige bundels, en in deze nieuwe, die de titel meekreeg We konden alle kanten op, ook weer. (Uit zijn werk zou een mooie bloemlezing Alles op de fiets zijn samen te stellen, ware het niet dat die titel al in 1969 door Kopland werd opgeëist.)”

 

Het is waar, Zuiderent fietst wat af. Het gedicht ‘Weg’ komt uit de eerste afdeling, vijf gedichten die worden samengehouden door het thema ‘tocht’. In het eerste gedicht blijkt een fietstocht vooral eenzaamheid te creëren: ‘Terug ging ik vanmorgen en alleen.” Emotie kan de zoektocht naar vroeger opleveren (regel 11), maar je komt nergens aan. Heel fraai sluit het tweede gedicht erop aan: ‘Thuis van de tocht en de verhalen komen los van wat ze waren.’ (regel 1 van Herhalingsoefeningen).

 

Elke tocht die wordt gemaakt, gaat langs de weg waar eeuwigheid niet te vinden is.

 

Naar aanleiding van: Ad Zuiderent, Geheugen voor landschap. Amsterdam: Arbeiderspers, 1979.

Guus Middag, Alles valt in stukken uiteen: Beschouwingen over poëzie. Amsterdam: De Bezige Bij,1993.

 

 

In 2011 publiceerde de Vlaamse literatuurcriticus Yves T’Sjoen een overzicht van de dichters van de jaren zeventig. In de inleiding probeert hij een typering te geven van de generatie die verschilde van de Vijftigers. “Sterk veralgemeniserend kunnen we spreken van een neoromantische tegenbeweging.” (10)  Het boeiende is dat hij zeventien van hen zelf een keuze liet maken eigen werk en zo een bloemlezing aanbood aan de lezer. De eerste vijftien gedichten zijn van Ad Zuiderent, waaronder als eerste ‘Weg’. Yves T’Sjoen [red.], De tegenstrijdige generatie: Dichters van de jaren zeventig. Amsterdam: Meulenhoff, 2011.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *