Vriendschappelijke schrobbering

Hij kon er nog makkelijk bij, de paperback uitvoering van Tranen over Johannesburg, de vertaling van Alan Patons Cry, the beloved country. De handbagage voor onze reis naar Zuid-Afrika raakte stevig bezet, maar deze pocket duwde ik er eenvoudig tussen. Dit is het moment, dacht ik en zo was het ook. Het grootste deel van de beroemde roman las ik tijdens de reis langs Johannesburg, Pretoria, Swaziland, St. Lucia, Durban en Kaapstad.

 

Zo werd de leesverbeelding geholpen door de actuele ervaring. Verschil is er, de roman speelt in 1946: met stoomtrein en een bevolking van zo’n 700.000 mensen in Johannesburg. Nu is dat een stad van bijna 4.500.000 inwoners met modern vervoer. Paton beschrijft de jaren van toenemende apartheid. Wij zagen – 2017 – de indringende beelden ervan in het Apartheidsmuseum, en later op Robbeneiland voor de kust van Kaapstad.

 

Het verhaal is gauw verteld: de Zulu-priester Stephen Kumalo uit Ndotsheni in Natal gaat op zoek naar zijn jongere zus Gertrude en zijn zoon Absolom in Johannesburg. Van beiden hebben zij jarenlang geen brief ontvangen. In de grote stad blijkt zijn zus aan lager wal en zijn zoon pleegt juist in die dagen een moord. De Nederlandse vertaling is wat ouderwets en toch nam het verhaal mij mee: echte mensen, reële emoties.

Terwijl ik begon met mijn interesse in de verhoudingen van rassen en kleuren, raakte ik vooral verbonden met Kumalo als collega geestelijke. Op een bepaald moment zit hij er helemaal doorheen. De situatie van zijn zuster en met name de daden van zijn zoon, hebben Kumalo diep getroffen. Maar het steekt hem nog het meest dat zijn zoon zo weinig berouw toont. “Hij is een vreemdeling voor me. Ik kan niet in hem doordringen, hij is als water voor me. Ik kan hem niet vasthouden… ik zie alleen maar zelfbeklag bij iemand, die twee kinderen vaderloos heeft gemaakt.” (77).

 

Vader Vincent onderbreekt deze klachtenserie. De blanke geestelijke is verbonden aan een zendingshuis in Johannesburg. Ga bidden en neem rust, adviseert hij. Kumalo reageert gelaten: “Ik wil erop vertrouwen dat het zo is, maar ik heb geen hoop meer. Wat zei u dat ik moest doen? O ja, bidden en rusten.” (78). Vader Vincent proeft de licht spottende toon in die woorden en wordt dan directief. Hij neemt zijn collega bij de arm, gebiedt hem te gaan zitten. Dan volgt er dit:

 

“Toen Kumalo gezeten was sprak Vader Vincent:  – Ja, ik zei bidden en rusten. Zelfs indien uw gebed alleen maar uit woorden zou kunnen bestaan en uw rusten alleen maar op een bed liggen zou zijn. En bid niet voor uzelf en bid niet om de kennis van het geheim van Gods besluiten, want die zijn onnaspeurlijk. Wie kent het leven? Het is een geheim. Dat u medelijden hebt met het meisje, terwijl niemand medelijden heeft met u, het is een geheim. Dat u verder moet leven, terwijl de dood u verkieslijker voorkomt, het is een mysterie. Denk hier thans niet aan. Bid voor andere dingen. Bid voor Gertrude en het kind en voor het meisje, dat de vrouw van uw zoon zal worden en voor het kind dat uw kleinkind zal zijn. Bid voor uw vrouw en voor de mensen van Ndotsheni. Bid voor de vrouw en de kinderen die hun man en vader verloren hebben. Bid voor de ziel van hem die gedood is. Bid voor ons geestelijken van het zendingshuis en voor de bestuurders van Ezelzeleni, die trachten op te bouwen wat vernield is. Bid voor het herstel van uw eigen ziel. Bid voor alle blanke mensen, voor hen die rechtvaardig zijn en voor hen die rechtvaardig zouden zijn als ze niet bevreesd waren, en vrees niet te bidden voor de bekering van uw zoon.” (78).

 

Zo wordt Kumalo de les gelezen. De ene geestelijke tegen de andere. Ik weet uit ervaring dat het geloofskracht vraagt om een schrobbering te aanvaarden. “Zou een rechtvaardige mij slaan, het was mij een weldaad, zou hij mij straffen, het was balsem op mijn hoofd.” (Psalm 141,5).
Daarom moest ik even slikken bij de volgende zin:
“Ik heb u begrepen, sprak Kumalo nederig.” (78)
Groots.

 

Naar aanleiding van: Alan Paton, Tranen over Johannesburg. Amsterdam/Brussel: Elsevier, 1960 (Cry, the beloved country uit 1948, vertaald door B. Majorick).

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *