Verdiend!

Er was eens een hardloper die op de Olympische Spelen driemaal goud won: op de vijf en tien kilometer én op de marathon. Hij liep die afstanden binnen een periode van acht dagen. Wat denkt u: is dit waar? Misschien twijfelt u. Het zou een superieure prestatie zijn. Kan een mens zoveel kracht opbrengen in zo korte tijd? Of misschien bent u gealarmeerd door de opening van de eerste zin: er was eens… Het is de start van elk sprookje.

 

Wie een roman leest, weet dat er een verteller aan het woord is. Ook al komen er mogelijk bestaande of historische figuren in voor, het verhaal is gecreëerd door een auteur. De meeste romans lees je uit zonder nadrukkelijk de verteller tegen te komen. Maar wie werk van Jean Echenoz leest, krijgt heel andere leeservaringen.

 

“Ik weet niet hoe het u vergaat, maar wat mij betreft, al die topprestaties, die records, die overwinningen, die trofeeën, je zou er haast een beetje genoeg van beginnen te krijgen. En dat komt mooi uit want kijk, vanaf nu gaat Emil verliezen.” (91) We zijn op twee-derde van de roman Hardlopen als we deze zin tegenkomen. Jean Echenoz heeft de beroemde Tsjech Emil Zátopek (1922-2000) tot hoofdpersoon gekozen. Ik schrijf ‘beroemd’ maar die roem is niet lang houdbaar gebleken. Deze man heeft de top van de atletiek bereikt en mensen tot vervoering gebracht, maar ik wist van zijn bestaan niet totdat ik door het lezen van Echenoz’ roman meer informatie over Zátopek opzocht. Het blijkt waar: op de Olympische Spelen van Helsinki in 1952 haalde hij de drie gouden medailles waarover ik hierover begon. Zátopek was van eenvoudige komaf en kwam via het leger op het spoor van hardlopen terecht. Zonder professionele begeleiding bleek hij een winnaar en met begeleiding brak hij record na record. Maar hij kwam uit een land onder het communisme. Toen er meer vrijheden kwamen, herstelde het Warschaupact met harde hand de orde. In die van bovenaf geleide ideologische werkelijkheid was Zátopek niet een grote held. Hij kon zich aanpassen.

 

Echenoz kan goed vertellen. Hij neemt je mee in het verhaal en de eerste opmerkingen van de verteller komen onopvallend langs. “We zullen zien.” (32) “Daar gaan we.” (72) “Juist ja.” (78) Je begint je af te vragen wie er aan het woord is: “Irritant mannetje soms.” (82) Wie zegt dat? Intussen is het verhaal van Zátopek dat van een groeiende held geworden. Door alle successen ontvangt hij de gunst van het volk, de aandacht in de media en de promoties in het leger. Echenoz weet subtiel aan te wijzen dat de maatschappelijke omstandigheden de menselijke middelmatigheid van Zátopek aantonen. Hij kan niet veel anders dan de gewone man bij zoveel ideologische controle, maar hij is ook niet sterker dan anderen.

 

Het citaat op bladzijde 91 is het keerpunt. De grote winnaar gaat verliezen. Op dat moment gaat de verteller midden op het podium staan en spreekt de lezer aan: “Ik weet niet hoe het u vergaat, maar wat mij betreft…” Hij doorbreekt de vanzelfsprekende identificering. De lezer hoort bij het volk en het volk ziet ook graag helden vallen. Je verlekkeren aan de besten lukt prima als zij onderuit gaan. Het moet ook. Want je kunt er ‘genoeg van krijgen’. We verdragen het niet echt als er exemplaren van onze soort zijn die zonder gebreken blijken. Dat wordt hemels of transcendent en dat is vreemd. Te vreemd om waar te zijn op aarde. Dus komt de neergang. Veroudering is onvermijdelijk. Jonge gasten gaan je een keer voorbij. Maar ook de collectieve omstandigheden heb je niet in de hand. Een verkeerde uitspraak en een foute handtekening zorgen voor de maatschappelijke neergang van Zátopek. We naderen het einde van de kleine roman als we hem aantreffen als magazijnbediende, vuilnisman of ‘geoloog’: hij mag gaten graven om telefoonpalen in te zetten. Hij moet van de Russen een document tekenen waarin hij alle fouten van het verleden toegeeft. “Hij tekent en kort daarna wordt hem gratie verleend. De hel is voorbij. Ze geven hem in Praag werk in het souterrain van het Centrum voor sportinformatie. Best, zegt de zachtmoedige Emil. Archiefmedewerker, iets beters heb ik vast niet verdiend.” (122)

 

Ik doe het boek dicht. Wat is dat voor een slotzin? Dat is geïnternaliseerde onderdanigheid. “Ik lust zeker geen cake,” zegt het kind dat overgeslagen wordt bij de koffie. Wie zulke zinnen zegt, heeft afgeleerd om assertief te zijn (of het nooit aangeleerd). De verteller in Hardlopen dwingt je zo na te denken over het heldendom, de macht van de volksgunst en de ideologie. Wat verdienen wij eigenlijk? Gelatenheid is een vorm van overleven waar je de macht niet hebt om te bereiken waar je naar eigen inzicht recht op hebt. Maar wie mondig genoeg is om te eisen wat je wil, krijgt die wat hij ‘verdient’? Is de roem onder het volk het rechtmatig loon van de (sport)held? En andersom: is het ontbreken ervan een teken van gebrek aan verdiensten? Er was eens iemand die sprak over God ‘die in het verborgene ziet’ en je zal belonen. Een gedachte die mij heel bevrijdend voorkomt. Daar heeft Echenoz’s verteller me een handje bij geholpen.

 

Naar aanleiding van: Jean Echenoz, Hardlopen. Breda: De Geus, 2011. Vertaald uit het Frans door Jan Pieter van der Sterre. Oorspronkelijke titel: Courir, verschenen bij Les Editions de Minuit in 2008.

 

In de Volkskrant van 23 november 2000 verscheen een artikel over Emil Zátopek ter gelegenheid van zijn overlijden: “Mooi om te zien was Zatopeks stijl niet, wel effectief. ‘Het afschrikwekkendste horror-spektakel sinds Frankenstein’, schreef een Britse verslaggever. De Volkskrant in 1948 sprak van ‘een grauw gezicht en stotende schouders, een te lage armbeweging’.” Klik hier. Overigens zij vermeld dat Zátopek na de val van De Muur eerherstel kreeg onder president Vaclav Havel.

 

Voor mijn blog over Echenoz’ Ik ben weg, klik hier.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *