Uit-wijden

Wim ter Horst, in leven (1928-2018) een groot pedagoog, beschreef eens het ‘pedagogische quintet’: beschermen, verzorgen, overdragen, inleiden en inwijden. (76-139) Hij voegde bij elk van deze werkwoorden een typering van de opvoeders. “Door haar eerste verantwoordelijkheid – beschermen – heeft elke opvoeder iets van een mythische schatbewaarder.” (79) Kinderen moeten als parels worden bewaakt. Die sieren de kroon van de koning. Een falende schatbewaarder kan rekenen op de krokodillenvijver.
De tweede verantwoordelijkheid is verzorgen. Dat maakt van ouders tuiniers. Dat zijn mannen en vrouwen die weten van wortels, kruiden en vruchten die voor het leven noodzakelijk zijn. En welke levensgevaarlijk zijn. Mensen zijn lelies in de tuin en elk moet naar zijn eigen aard verzorgd worden.
Opvoeders zijn ook herders. Kinderen zijn ‘schapen en ganzen’, aldus Ter Horst. De dieren zijn bij de herder veilig en leren allereerst gehoorzamen. “Alleen dan kan hij hen leiden naar grazige weiden en zeer stille wateren.” (104) Dat is de verantwoordelijkheid voor de overdracht.
Als gids leid je je kinderen in, in het ‘chaotische en beangstigende landschap’ en je leert hen de teken te verstaan. Zo vinden zij de goede weg. Zo gaat de landstreek hen iets zeggen. Zo raken zij ermee vertrouwd. “De gids gaat nog een eindweegs mee en dan kunnen zij alleen verder.” (114)
Tenslotte hebben ouders of opvoeder te verantwoordelijkheid om in te wijden. Dat is een priesterlijke taak. Het leven heeft heilige tijden en plaatsen. Er zijn geheimen. Geheimen worden bewaakt. Reizigers kunnen niet zomaar binnenwandelen. Soms moet je wachten. Of je moet wat achterlaten, bijvoorbeeld de schoenen van je voeten. “Als het gaat over inwijden, zeggen uiteenzettingen niet zoveel en kan men beter verhalen vertellen.” (127)

 

Als je nu het volgende gedicht van Anna Enquist leest, bij welke verantwoordelijkheid past dat dan?

 

Sectie

 

In onze heupen de heupen
van de dochter, in onze ogen
de wildheid van haar blik.

 

In onze stem gaat haar stem
verscholen, haar handen
zijn door de onze omgroeid.

 

Wat een taak: het bekken
vrij te prepareren, het oog
uit te nemen. Een vaste hand

 

hebben we nodig, een helder
brein. Onverschrokken moeten we
de tong lossnijden, op zoek

 

gaan tussen pezen en vaten
naar de bleke stengels van
haar vingers in onze vingers.

 

Het is een groots werk, het neemt
al onze uren, het losmaken
van de dochter uit ons.

 

Anna Enquist, Sectie.

 

De anatoom-patholoog verricht sectie. ‘Vrij prepareren, uitnemen, lossnijden’, het gebeurt allemaal met de hand, niets gaat machinaal. Beneveld kan je er niet bij zijn: een helder brein is voorwaarde, noodzakelijke voorwaarde. Anders blijven er resten van het kind zitten, of andersom; resten van jezelf in je kind.

 

Is het kind dood? Gaat het gedicht over rouw? Mogelijk. Of het gaat om het gidsen tijdens de opvoeding? Kinderen moeten zelfstandigheid leren. En als kinderen zelfstandig gaan wonen, gebeurt er iets vergelijkbaars. Je kind loslaten. Een therapeut moet soms meewerken: kinderen helpen los te komen van hun ouders. Heel zorgvuldig een mesje halen langs de grens tussen waardering en afwijzing, tussen overnemen en achterlaten, tussen overnemen en verzet. Ik noem het uit-wijden. Je kind de ruimte geven. Dat is inderdaad een groots werk. Teamwork vooral. Stoer als je dat als vader en moeder samen kan. Samen dienaar.

 

*

 

Naar aanleiding van: Anna Enquist, ‘Sectie’, In: De Poëziekrant jrg. 27 no. 1 (januari – februari 2003), 18

 

Dr. W. ter Horst, Wijs me de weg! Mogelijkheden voor een christelijke opvoeding in een post-christelijke samenleving: een boek voor opvoeders in gezin, school, kerk en daarbuiten en voor opvoedkundigen.6 Kampen: Kok, 1999 (eerste druk 1995)

 

Ik moet bij dat ‘lossnijden’ denken aan een mooie typering van de jonge Samuel, door drs. Henk de Jong. “Dit hoofdstuk [1 Samuël 3], mogen we samenvattend zeggen, vertelt ons, hoe het Woord van God in het Israël van die tijd ten tonele verschijnt en hoe dit woord ermee begint, Samuël uit het huis van Eli los te hakken en er zelfs tegenover te stellen, met een diepe kloof ertussen. Zo wordt Samuël vrij om als een echte profeet ter beschikking van dat woord van God te staan.” Drs. H. de Jong, De twee Messiassen: 31 preken over het boek 1 Samuël. Kampen: Kok, 1978, 23

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *