Roeping

“Reve snijdt geen kwesties aan, hij legt zenuwen bloot.” Dat is een heel treffende typering, met dank aan Thomas Vaessens (83). Voor mij is dat ook de reden waarom die bijna prozateksten van Reve toch poëzie vormen. Als je de zinnen van het gedicht ‘Roeping’ niet zou afbreken, zou je niet denken dat je een gedicht leest. Nu hij dat wel doet, is het een gevoelig bouwseltje van taal. Ilja Leonard Pfeijffer heeft dat fraai aangewezen bij Reve’s gedicht ‘Een nieuw Paaslied’: “Dit gedicht is niet goed vanwege de humor, maar vanwege de ernst.” (209).

 

Ernstig is ook het gedicht ‘Roeping’. Het heeft een goede pers, ook onder orthodoxe christenen.

 

Roeping (Voor de Zusters van Liefde, te Weert)

 

Zuster Immaculata die al vier en dertig jaar
verlamde oude mensen wast, in bed verschoont,
en eten voert,
zal nooit haar naam vermeld zien.
Maar elke ongewassen aap die met een bord: dat hij
vóór dit, of tegen dat is, het verkeer verspert,
ziet ’s avonds reeds zijn smoel op de tee vee.
Toch goed dat er een God is.

 

Gerard Reve, 80

 

Ligt de strekking niet heel eenvoudig voor de hand? God, die in het verborgene ziet, zal de dienende goede daad belonen te zijner tijd. Wie hier en nu de aandacht weet te trekken, heeft zijn loon al. Het is vierentwintig karaats Jezus-taal. Reve legt de vinger op de toegedekte plek: wij hebben te weinig oog voor het goede dat er ligt in het stilletjes dienen.

 

Maar zit er niet nog een adder onder het gras? Je weet het bij Reve nooit helemaal precies. Hij is de meester van de ironie. Wat gebeurt er in dit gedicht? De zaak wordt extreem gemaakt: de vrouw is een onbevlekte zuster en de man is ongewassen met een smoel. Reve gaat ons direct voor in de keuze: voor de zuster, tegen de aap.

 

Maar als die ‘ongewassen aap’ nu eens Amos heet? Of Johannes (aka De Doper)? Of een andere Bijbel-achtige profeet die er weliswaar niet uitziet, maar wel de waarheid vertelt? Hij houdt een bord omhoog. Op zijn spandoek staat bijvoorbeeld: “Jullie vertrappen de zwakken en eisen een deel van hun graan op.” (Amos 5,11). Of: “Addergebroed, wie heeft jullie wijsgemaakt dat je veilig bent voor het komende oordeel?” (Matteüs 3,7). Dat is irritant, als iemand met dat soort teksten jou de weg verspert. Het verkeer, dat zijn wij.

 

Toch goed dat er een God is… die niet ingrijpt. Zowel de stille zuster als de luidruchtige publieke aap ruimte geeft. Reve’s Godsbegrip verenigt verscheidene, wat tegenstrijdige aspecten in zich, zegt Anneke Reitsma: “Hij is meester en slaaf, almachtig en weerloos, eenzaam én zichzelf genoeg.” (171). Kan de take-away van dit gedicht zijn dat het nu onze beurt is om een statement te maken? Ga je wassen met de zuster of protesteren met de aap? Eerlijk, ik word van beide erg onrustig. En helemaal zenuwachtig als God erachter zit, achter beide.

 

Naar aanleiding van: Gerard Reve, ‘Roeping.’ In: Gerard Reve, Verzamelde Gedichten. Amsterdam: De Bezige Bij, 2001.

 

Thomas Vaessens, Ongerijmd succes: Poëzie in een onpoëtische tijd. Nijmegen: Vantilt, 2006.

 

Ilja Leonard Pfeijffer, Het geheim van het vermoorde geneuzel: Een poëtica. (essays). Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers, 2003.

 

Anneke Reitsma, Het woord te vondeling: Een eeuw Nederlandse poëzie in zeventien portretten. (essays). Amsterdam: De Prom, 2002.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *