Riddereer

Eer dank je aan anderen. Zonder hen is zij er niet, en heb je haar niet. Mensen kunnen je de eer geven, bij je sterven zelfs de laatste eer. Elkaar respecteren werkt als olie in de motor van de samenleving. Maar mensen kunnen elkaar ook onteren. Belediging, laster, roddel, misbruik, aanranding, zeg het maar en je snapt wat dat doet. Je voelt je schandalig behandeld, gekrenkt. Nu zijn er culturen waarin je dan verplicht bent je eer te verdedigen of te herstellen. Als je ervan afziet stapel je op je gezichtsverlies nog een tweede afgang. Terwijl je juist credits verdient door het duel aan te gaan. De dader moet nu vernederd worden of zelfs gedood. Eerwraak is een groepswaarde.

 

Hermann Huppen heeft zich goed gerealiseerd dat in de middeleeuwse standenmaatschappij eer een centrale plaats had. Als een ridderqueeste de serie De Torens van Schemerwoude doortrekt, dan kan het niet anders of eer komt ter sprake. In deel 1 leidde dat tot een steekspel tussen ridder Aymar en de zoon van heer Eudes. Deze gooit een handschoen in het gezicht van Aymar die eerst nog koel reageert “Ik begrijp dat u vijandschap tegen mij voelt, maar ik verzoek u dringend u verder te onthouden van het bezoedelen van mijn eer! …”  Maar de dwaze jongen repliceert met: “Wat? U verzoekt mij – Haha! Heer Aymar, elke ware ridder zou allang met staal hebben geantwoord: waar is die eer waar u de mond zo vol van heeft?!” (Babette, 22) Dat zal de jongen vervolgens weten. In het toernooi delft hij het onderspit en sterft.

 

In deel 2 van de serie is het bijna vertederend hoe de kleine Basilius van Caulx zijn eerste lessen ridderlijkheid aan de dag legt. Het kasteel van zijn vader wordt beroofd door een groep struikrovers onder leiding van een man met een steenbokschedel op z’n hoofd en een dierenvacht als mantel. Enkele, eveneens ontheemde horigen, broeder Ignatius en Basilius overleven het en schuilen in de buurt als een ruiter arriveert die vaardig met de kruisboog om kan gaan. Het is Eloïse van Grimbergen. Als broeder Ignatius haar welkom heet, corrigeert de kleine man hem: “Ik Basilius van Caulx, enig erfgenaam van mijn overleden vader, de heer van Caulx, ben heer van dit land en deze mensen. Op grond van dat recht nodig ik u graag uit op mijn leen te komen uitrusten van uw tocht, onder mijn beschutting…” (23) Subtiel toont het volgende plaatje zijn deplorabele toestand: een teen die door een kapotte schoen steekt, een vuile mantel. Eloïse, volwassen als zij is, reageert in stijl: “Ik dank u zeer, heer Basilius, hoe kan ik zo’n aanbod weerstaan?” Zo geef je eer en respect.

 

In het vervolg blijkt dat Eloïse net als Aymar en zijn schildknaap doelgericht op pad. Het hervinden van de torens van Schemerwoude beheerst het leven de laatsten. Aymar is er verjaagd toen hij acht jaar was, vernemen we. (29). “Eloïse is een personage dat gedreven wordt door wraak.” (Helden en Koeien) Zij jaagt op de man met de steenbokschedel. Hij heeft haar misbruikt en haar vader belegerd. Zij wist te ontkomen: “Sindsdien achtervolg ik u,” zegt ze als zij de man met een kruisboogpijl tot stilstand heeft gebracht, “van ruïne tot ruïne, maar steeds kwam ik te laat! … Tot vandaag!” (44) Zo ook hier de sociale orde weer hersteld, de eer van haar vader gewroken. Ook Aymar heeft zijn ridderplicht vervuld, al was hij in eerste instantie weinig enthousiast. Basilius deed een appel op hem: “Vrouwe van Grimbergen is niet langer alleen! Welk doel haar queeste ook moge hebben, het valt samen met het mijne! En nu de voorzienigheid ook u hier gebracht heeft, Heer Aymar, doe ik een beroep op uw ridderlijkheid en verzoek ik u met ons mee te strijden.” (31) Lichte drang van Olivier hielp hem over de drempel. (35, 37)

 

De beste bijrol  in deze episode is voor het oude mannetje en zijn kip aan een touwtje, Aldegonde. Hermann vertelt hierover in Helden en Koeien: “Een van de nevenpersonages die me erg beviel in Schemerwoude was de oude boer en zijn kip. Ik heb ‘m bedacht nadat ik een oude man in een tuintje zijn kippen te eten zag geven terwijl ik een fietstochtje rond Brussel maakte. Hij naderde op een heel liefdevolle manier een ouwe kip die was neergestreken op een hondenhok en hij praatte ertegen… Ik heb het tedere beeld gebruikt van een oud mannetje dat er alleen is voor zijn dier en ik heb oorzaken bedacht voor die affectie. De ouderling heeft geen familie. Hij wordt uitgescholden, hij dient tot niets. En in de middeleeuwen was men niet mals voor nutteloze monden die moesten gevoed worden. Ik heb dus een klein verhaaltje, parallel aan de hoofdintrige, verzonnen waarin de kip – ook al een nutteloos beest want ze legt geen eieren meer – in de kookpot dreigt te eindigen. Temidden de razernij van de intrige is dit een vleugje menselijkheid.”

 

Naar aanleiding van: Hermann, Eloïse van Grimbergen (De Torens van Schemerwoude 2)2. Zelhem: Arboris, 1989. Oorspronkelijk in het Frans gepubliceerd in 1985. Scenario en tekeningen van Hermann, inkleuring door Fraymond.

 

Hermann, Helden & Koeien. Zeldegem, Saga uitgaven, 2014

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *