Opgraven… en dan?

‘Alles van waarde is weerloos,’ schreef Lucebert in het gedicht De zeer oude zingt (1954). Ellen Deckwitz zinspeelt erop in haar debuutbundel De steen vreest mij: ‘Ze maakt alles van weelde eerloos.’ (27) Ze, dat is de moeder van de ik-persoon in de bundel. Moeder komt er niet best af. Zij heeft een alcoholprobleem: ‘Onze moeder kan een voetstuk op (één teug)/ze drinkt al jaren onder de tafel.’ (15). Ook grootvader treffen we in de bundel aan. Hij zet bij een documentaire over de jappen de televisie harder: ‘Knokkels tegen lippen/te weinig sigaretten/voor dit gesprek.’ Dat klinkt ook al niet vrolijk. Dan het broertje. De ik zit met zijn broertje ‘onder de grote eik’. So far so good, maar die eik bloeit het liefst aan de rand van een dodenakker. Dus wat is hier ‘onder de eik’? Grootvaders, moeder en broertjes zijn teruggezonken (20). Er is wat op te graven. Wat levert dat op?

 

Alles is onder een steen gelegd en de bundel gedichten vormen de hamerslagen op de steen. Die moet eraan geloven. Hier het gedicht waaraan deze bekroonde debuutbundel de titel ontleend:

 

Ik graaf mijn broertje op. Zijn bekken
eleganter dan een lelie en beenderbleek
de vingers, poten van grondig bint.

 

Mijn donkere koten die in de aarde
rondwaren, woelend
tot een weldoorvoede regenworm
de kieren van een kleine teen doorsnijdt.

 

Mijn broertje hoest kluiten op,
zinkt terug wel ik kan er tegenop
graven, de steen vreest mij
omdat ik hem stuk zal slaan.

 

Ellen Deckwitz, De steen vreest mij, 43

 

Het gedicht is typerend. Ik neem even aan dat ‘koten’ iets als ‘handen betekent, er staan verder geen onduidelijke woorden in. Wel een vreemde zin: ‘zinkt terug wel ik kan er tegenop’ Hier lijken woorden weggevallen of verkeerd geplaatst. Dat het lijk van broertje terugzinkt is wel op een of andere manier verstaanbaar. Dat de ik-persoon ergens tegenop kan graven, ook goed. En als er voor en na ‘wel’ twee komma’s hadden gestaan was de zin prima overgekomen. Maar wat doet dat ‘wel’ zonder komma’s nu in de zin? De dichteres hanteert verder de leestekens normaal.

 

Omdat de rijm, regellengte en ritme verder weinig hulp bieden, gebruik ik foregrounding als manier van lezen. Erica van Boven en Gilles Dorleijn wijzen erop dat er norm wordt overschreden: “De taaluiting valt op omdat er op een of andere manier wordt afgeweken van wat normaal is (van wat je normaal verwacht). Foregrounding wordt zo gekoppeld aan normen (of: regels) die de waarnemer kent.” (44) Jan van Luxemburg, Mieke Bal en Willem G. Weststeijn schrijven in Over Literatuur: “Foregrounding kan op verschillende wijzen plaats vinden, door equivalentie, maar ook bijvoorbeeld door het gebruik maken van afwijkende of ongrammaticale constructief of door metaforiek.” (39) Deviatie en equivalentie zijn de twee principes waarmee de lezer aan het werk kan.

 

Ik heb deze bundel een en andermaal gelezen. Ik maakte lijstjes van woorden en turfde hoe vaak zij voorkomen. Bomen (takken, eik), vingers (handen), dodenakker (skelet, letselsterfte) in veelvoud. Naast grootvader, moeder en broertje komen we jappen, allochtonen en ‘de eerderen’ tegen. Lijf, lichaam en eten, het is alles even problematisch. Het is duidelijk dat de steen eraf moet: de familie disfunctioneert. Dat is nu helder. Het is ‘out in the open’. Maar als die deksteen stukgeslagen is en je kijkt naar de ellende eronder, wat dan? Het gedicht op bladzijde 43 is het laatste. Wat nu?

 

Naar aanleiding van: Ellen Deckwitz, De steen vreest mij. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2012. Bekroond met de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut. Op de Poetry International-website schrijft Janita Monna over haar: “Kan Deckwitz op een podium geestig zijn, en theatraal, haar gedichten op papier kunnen flink onbehaaglijk zijn. Haar debuut vertelt een verhaal over moeizame familierelaties, kinderangsten en complete ondergang. Surreële scènes worden afgewisseld met nare en ook met humor opgetekende beelden van een jeugd. Van een moeder die te veel drinkt, bijvoorbeeld: ‘Onze moeder kan een voetstuk op (één teug),/ze drinkt al jaren onder de tafel.’”

 

Erica van Boven, Gillis Dorleijn, Literair mechaniek: Inleiding tot de analyse van verhalen en gedichten. Bussum: Coutinho, 1999

 

Jan van Luxemburg, Mieke Bal, Willem G. Weststeijn, Over Literatuur. Bussum: Coutinho, 1999

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *