Ongewenst verlangen

Er kwam eens een vrouw bij de Boeddha. Zij was oma van een lief en charmant meisje. Haar kleinkind was gestorven. De Boeddha vroeg aan deze verdrietige vrouw of zij wel zoveel kinderen en kleinkinderen zou willen hebben als er mensen in haar dorp woonden. Zeker, dat wilde zij. Maar zou je dan wel eens dag zonder rouw zijn, vroeg de Boeddha. Nee, dat niet; dat realiseerde de vrouw zich. “Wie honderd dingen dierbaar zijn, hebben honderd dingen als bron van leed,” zei de Verlichte, “Wie niets dierbaar is, hebben geen bron van leed. Zij zijn zonder verdriet, vrij van hartstocht, zonder vertwijfeling, zeg ik.” (162).

 

Hij heeft gelijk. En ongelijk. De Boeddha heeft gelijk, want verdriet om de dood van je geliefden is lijden. Maar is dat nog leven? Liever lijden dan vrij van hartstocht. De Boeddha heeft ongelijk. Ik wist het weer toen ik de humoristische roman van Tom Pauka herlas: Een ongewenst verlangen.

 

Robert Bakker is een patiënt met multiple sclerose. Jeanne komt elke dag om te wassen en een prik te geven. Robert wordt verliefd op de jonge wijkzuster. Als zij door een ongeluk in het ziekenhuis terecht komt, neemt hij zich voor haar te bezoeken. Niet met rolstoelvervoer op maat, maar zelfstandig door de stad heen. Zonder dat Rotterdam met name genoemd wordt, is helder dat hij zich van Schiedam (Tuindorp) naar Zuid wil verplaatsen. Hij komt in de autobuis van de Maastunnel terecht. Het verkeer wordt stilgelegd. Uit de speaker klinkt een mannenstem: “Wil de meneer in die invalidenwagen z’n eigen niet verplaatsen.” (107). De politie komt hem halen en verbaliseert hem. Als zij hem terugbrengen vraagt hij of hij of hij op de hoek eruit mag – toch een beetje een schande voor de buren als je door de politie wordt thuisgebracht. De agenten zijn zo goed of zij doen het. Niet zodra zij uit zicht verdwenen zijn, herneemt hij zijn poging om op Zuid te komen.

 

Verlangen heeft een prijs. Robert wil die graag betalen. Hij krijgt er aandacht van Jeanne voor terug, een geluk dat de prijs in alles waard is. Terwijl Rinie Nollen, de zuster die Jeanne vervangt, alles in het werk stelt om Robert tegen zichzelf te beschermen, is Frans Hofman de partner in crime. De Oosterkerktoren wordt gerestaureerd. Zij nemen zich voor naar de punt van de toren te gaan om het mooie uitzicht te bekijken. Hoe komen zij boven: twee man, van wie er een in een rolstoel zit? Gewoon, met de bouwlift. Frans gaat het regelen:

 

“Frans had een helm op en een tweede helm in zijn linkerhand, met de rechter wees hij naar de auto. De werkman knikte en nam zijn plaats in bij de liftmotor aan de voet van de toren. Frans laadde de rolstoel, oliejassen en laarzen uit en kwam ermee naar de portier aan Robert zijde. ‘Jij was een Delftse professor,’ zei hij, ‘en jij moest persoonlijk boven gaan kijken maar helaas zat je in een rolstoel.” (48).

 

Deze roman is een verhaal over levensmoed en levenskunst. Je beperkingen aanvaarden en toch niet onaangedaan worden. Zoveel mogelijk onafhankelijk zijn en toch kwetsbaar blijven. Leven is lijden, dat heeft de Boeddha goed gezien. Maar als de prijs voor de verlossing uit het lijden nu is dat je ook de liefde niet meer kent, de schrijnende liefde? Dat kan toch niet een nobele waarheid zijn?

 

Tegen het einde van het boek wacht Robert op een telefoontje van Jeanne. Het duurt lang. Hij weet niet of zij bellen zal. Hij hoopt het. Hij verlangt ernaar. Maar de tijd verstrijkt.

 

“Heel geleidelijk begon zijn tijdgevoel te wijken. Het leek alsof hij niet langer op iets wachtte, alsof hij bezig was een dimensie binnen te gaan waarin het normaal en aanvaardbaar zou zijn om deel uit te maken van een stilstaand straatbeeld. Wachten was voor zijn gevoel, hoe getalenteerd men er ook in kon worden, altijd verbonden geweest met ongeduld. Ook met vormen van verlangen. Het leek alsof hij had opgehouden te verlangen. Toen ging de telefoon en hij gleed terug uit het rijk van de dode materie en voelde zich verscheurd door pijn, geluk en begeerte.” (180).

 

Verscheurd door pijn, geluk en begeerte. Dat is leven.

 

Naar aanleiding van: Tom Pauka, Een ongewenst verlangen. Amsterdam: Querido, 1982.
Khuddaka-Nikāya II. De verzameling van korte teksten. Khuddaka-Pāṭha, Udāna, Itivuttaka & Cariyāpiṭaka. Vertaald uit het Pali, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Jan de Breet, Rob Janssen & Anco van der Vorm. Rotterdam: Asoka, 2007.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *