Onder de deken

Niet ieder grijpt snel naar een bundel Engelstalige korte verhalen. Nog minder zullen kiezen voor een bundel verhalen van de Indiase schrijfster Ismat Chughtai (1915-1991). Wie zou haar kennen? Maar als je het doet, lees dan in elk geval The Quilt (De deken). Het is een roemrucht verhaal, dat bij intensieve kennismaking veel gedachten oproept.

 

‘Bij intensieve kennismaking’ dat zet ik er nadrukkelijk bij. Want de kracht van dit verhaal ga je pas zien met enig inzicht in de leefwereld van de upper class moslims in India en Pakistan van de eerste helft van de vorige eeuw. Het verhaal gaat over een jong meisje dat tijdelijk bij een ‘tante’ logeert (een ‘geadopteerde’ zuster van haar moeder 7), Begum Jan. Begum is de aanduiding van een vooraanstaande dame, of ook van een Indiase vorstin. De naam van de vrouw brengt de lezer dus in de wereld van de welgestelden. Dat wordt onderstreept door het feit dat Begum Jan zelf arme ouders had: “This was the lady who had been married off to Nawab Sahib for a very good reason, courtesy her poor but loving parents.” (8).

 

De welstand blijkt als Begum Jan probeert het meisje in de loop van het verhaal bij een huilbui te troosten door te beloven dat ze samen gaan winkelen, speelgoed kopen en lekkere dingen. Zij heeft ook vrouwelijke bedienden en één ervan speelt een centrale rol in het verhaal: Rabbo. Rabbo biedt persoonlijke verzorging, onder andere het zalven van de huid met olie na het baden of het geven van massages om jeuk te verdrijven. Maar let erop hoe zij beschreven wordt: “Rabbo! She was as black as Begum Jan was white, like burnt iron ore!” (11). Een lichte tint van de huid wordt hoger gewaardeerd dan de donkere. De leden van de lagere kasten in de Indiase samenleving staan traditioneel bekend om hun donkere huidskleur. Het jonge meisje distantieert zich van Rabbo, noemt haar filthy wench (vuile hoer, 12) of witch (heks, 19). Begum Jan maakt graag gebruikt van de diensten van deze vrouw, maar het standsverschil wordt subtiel en minder subtiel in het verhaal aangestipt.

 

Zo is er nog iets waar je niet overheen moet lezen. Op een bepaald moment staat er dat het weer beter ging met Begum Jan toen zij stopte met magie, zwarte kunst, seances en wat al niet (8). Hoezo dat? Begum Jan is uitgehuwelijkt aan Nawab Sahib, een man op leeftijd. Na het huwelijk liet hij zijn vrouw in de vrouwenkamer blijven (de zenana) en kijkt niet meer naar haar om. Zijn interesse gaat uit naar jongens. Hij stelt zijn huis open voor jonge studenten, “young, fair and slim-waisted boys, whose expenses were born entirely by him.” (8). Voor de buitenwereld keurig gehuwd, aan de binnenkant een loze relatie. In de islamitische levensstijl van die dagen werd de vrouw in haar vrouwenkamer gehouden om ongeoorloofde en ongewenste mannenblikken buiten te houden. Het veronderstelt de onbeheersbare mannelijke lust zodra vrouwen in zicht komen. Begum Jan kwijnt weg, ondanks alle luxe. Om toch de aandacht van haar man te verwerven probeerden vrouwen de magie uit of de zwarte kunsten. In een cultuur waarin dat met vertrouwen wordt beoefend is dat niet opvallend. Wat wél opvalt, is dat Begum Jan er op een dag mee stopt. Haar man is niet te winnen, zij wil hem ook niet meer winnen. Het vrouwenverblijf wordt van ‘gevangenis’ in een mannenwereld omgezet in een proefruimte voor nieuwe eigenwaarde.

 

Wat het verhaal indringend maakt is dat het wordt verteld vanuit het perspectief van een jong meisje, dat komt logeren. Zij is klaarblijkelijk nog niet klaar voor het ontdekken van haar seksualiteit, laat staan die voor hetzelfde geslacht. Het meisje logeert een periode bij haar tante Begum Jan en verblijft met haar in de grote luxe vrouwenkamer. Vanaf haar logeerbed naast het bed van tante ziet zij in de nacht allerlei bewegingen onder de deken op het grote bed. De schaduw op de muur lijkt op die van een olifant die schudt, omhoog komt en weer neerdaalt. Het meisje haalt zich van alles in het hoofd (zijn er dieven!?), maar als zij aan het slot van het verhaal een glimp krijgt van wat er onder de deken gebeurt, neemt zij zich voor er altijd over te zwijgen. “What I saw when the quilt was lifted, I will never tell anyone, not even if they give me a lakh of rupees.” (19; een lakh is 100.000).

 

De suggestie is dat Begum Jan zich laat bevredigen door Rabbo, haar hulp. Maar met zoveel woorden staat het er niet. Wel dat zij zich dagelijks door Rabbo laat masseren tegen de jeuk. Als Rabbo voor een paar dagen weg gaat, vraagt het meisje: “Zal ik krabben waar het jeukt?” Tante vindt het heerlijk, maar het meisje merkt dat het ongemakkelijk wordt: “Here”.  She was guiding my hand wherever she felt the itch.” (15). Zij komt naast Begum Jan te liggen op het grote bed, met haar hoofd op haar arm. Tante voelt en telt haar ribben. “No,” I protested weakly” (15). In haar herinnering staat gegrift hoe tante opgewonden raakte: “Her eyelids became heavy, her upper lip darkened and, despite the cold, her nose and eyes were covered with tiny beads of persperation.” (16). Het meisje begint te huilen en rent weg.

 

Begrijpelijk, maar is het ook begrijpelijk wat Begum Jan doet? In het verhaal is het een verzet tegen de verwaarlozing door haar echtgenoot. Het gevoel van onwaarde dat daardoor wordt opgeroepen wordt omgezet in een ontdekken van nieuwe waarde: je laten beminnen door een vrouw. Dat Rabbo een lagere status heeft kan aan dat proces bijdragen. Het versterkt immers het gevoel dat je iets betekent, als anderen jou dienen? Terwijl de fysieke ruimte Begum Jan beperkt in haar bewegingsvrijheid, gaat zij de beperkte ruimte gebruiken als een eigen plek om zichzelf te gaan waarderen. Het gaat daarbij niet eens zozeer om lesbische emancipatie. Het is bekend dat Ismat Chughtai niet de liefde tussen mensen van gelijk geslacht ondersteunde. Het verhaal gaat om innerlijke, psychologische vrijheid in een cultuur van krachtige en voor vrouwen beperkende sociale normen. Ten diepste is de gewonnen zelfwaardering de beloning.

 

Ik moet denken aan deze uitspraak van de apostel Paulus: “Want een slaaf die door de Heer geroepen is, is een vrijgelatene van de Heer…” (1 Korinte 7,22). Op religieus niveau gebeurt daar hetzelfde: je kunt als mens vrijheid vinden terwijl je maatschappelijk alles behalve vrij bent en misschien ook nooit zult worden. “Rabbo came to her rescue just as she was starting to go under. Suddenly her emaciated body began to fill out. Her cheeks became rosy; beauty, as it were, glowed through every pore!” (9).

 

Nu kom ik in een spagaat. Ik vind het verwerpelijk en onvolwassen dat Begum Jan het jonge meisje hierin betrekt. Ook lijkt me deze lesbische erotiek niet de beste vorm van zelfwaardering voor een heteroseksuele vrouw. Maar tegelijk bewonder ik Begum Jan, haar kracht en denk ik: dit is heilzaam. Spagaat dus. Pijnlijk.

 

Naar aanleiding van: Ismat Chughtai, The Quilt and other stories. (Translated by Tahira Naqvi & Syeda S Hameed). Londen: The Women’s Press, 1991. Het verhaal The Quilt is te vinden op p. 8 – 19 van deze uitgave.

De (Engelse) tekst van het verhaal staat hier.

Hier vind je een korte verfilming van The Quilt.

De paper Gender, Self Representation and Sexualised Spaces: A Reading of Ismat Chughtai’s Lihaaf, van Tanvi Khanna (2014) – lees hier – heeft me erg geholpen.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *