Niets gevraagd

Aan de Nederland Leesteditie van Hermans’ roman De donkere kamer van Damokles gaat een lofrede vooraf van Claudia de Breij. “In een wereld waarin de mensen slecht zijn, ‘en hoe slecht zie je pas tijdens een Duitse bezetting’, laat de bikkelharde Hermans een sprankje hoop gloren. Althans, mij stemt het hoopvol, dat geworstel van zijn personages… dat je tijdens het lezen het comfortabele gevoel bekruipt dat het met Hermans’ personages altijd nog een heel stuk slechter gaat dan met jou. Niets lukt zijn personages. Maar hun worsteling is zo troostrijk.’ (5) Ik las dit voorwoord pas nadat ik het boek uit had en gelukkig maar. Het mist de kern van de vertelling compleet. Hermans wil geen hoop bieden.

 

Ton Anbeek wijst erop dat op filosofisch niveau deze roman de onkenbaarheid van mens en wereld illustreert. “Ongetwijfeld is het de onkenbaarheidsthese waar het in De donkere kamer van Damocles uiteindelijk om gaat.” (195, hij schrijft Damokles ten onrechte met c!). Hermans voegde in 1971 een citaat van Ludwig Wittgenstein toe als naschrift. Bestaat een persoon als er mensen zijn die naar hem op zoek zijn? Henri Osewoudt, sigarenverkoper uit Voorschoten, is door ene Dorbeck in het verzet betrokken tijdens de Tweede Wereldoorlog (24, 33). Na de oorlog heeft Osewoudt echter de schijn tegen. Dorbeck blijkt onvindbaar. Men beschouwt Osewoudt als een verrader. Hij zou gewerkt hebben voor de Duitsers. Voor Osewoudt het van het grootste belang om het bestaan van Dorbeck aan te tonen. In eerste instantie voor Selderhorst, de inspecteur die het dossier Osewoudt onderzoekt. “Het enige wat er voor mij op aan komt, dat het fototoestel gevonden wordt, waarmee ik een foto van Dorbeck heb gemaakt. Als dat eenmaal gevonden is, als ik Selderhorst maar eindelijk een autentiek portret van Dorbeck in handen kan geven, dan ben ik al half gered. Dan zal hij eindelijk niet mij zien, maar Dorbeck. Verdere redding vraag ik niet.” (311)

 

Hermans laat aan het slot van de roman zien dat wij vanuit diverse invalshoeken de kwestie kunnen bekijken. Je kunt er een onderzoeksreportage van maken voor de krant. (293-297) Of door de ogen van een psychiater de zaak als een kwestie van erfelijke belasting en ontoerekeningsvatbaarheid beschouwen. (301-306) Of je laat een geestelijke het religieuze perspectief belichamen. (307-311) Zo treedt pater Beer op en het is met hem in gesprek dat Osewoudt reageert met wat ik hierboven citeerde. “Zelfs de grootste zondaar heeft recht te proberen zijn huid te redden,” zegt pater Beer in de hoop op Osewoudts bekering tot vroomheid. (308) Als hij vervolgens over genade begint, volgt deze passage:

 

“Wat is de zin van mijn leven, antwoordde Osewoudt, als ik geboren word met een vervloeking en die vervloeking alleen maar kan kwijtraken door een genade? Moet ik daarvoor leven: om twee cadeautjes te krijgen die elkaar opheffen, terwijl ik helemaal niet om cadeautjes heb gevraagd? Ik heb nergens om gevraagd. Ik heb er ook niet om gevraagd te leven. Ik heb er niet om gevraagd om geboren te worden, ik heb er niet om gevraagd te worden vervloekt bij mijn geboorte, ik vraag er ook niet om te worden begenadigd bij mijn dood. Als er toch voor mij niets anders opzet dan dood te gaan, heb ik trouwens geen genade meer nodig: tegelijk met mijn leven, komt er ook een eind aan mijn vervloeking. Maar de genade die u misschien voor uw bekeerde verraders en moordenaars bewerken kan, wat zou die genade te betekenen kunnen hebben voor mij? Laten we hier niet langer over zeuren. U maakt mij doodmoe.” (311)

 

“Ik heb er niet om gevraagd,” daarmee kan je ongewenste reclame weigeren. Het is de basis voor het Bel-me-niet-register. Hier is het reactie op het aanbod van genade, maar Hermans laat fijntjes zien dat je dan ook vragen moet stellen bij het leven zelf. Dat wordt je gegéven. Als religie dan aankomt met vervloeking van het leven om vervolgens de genade aan te bieden, kan het bijna niet anders dan dat je Osewoudts antwoord overneemt: twee cadeautjes die elkaar opheffen? Laat maar. Het lijkt me beter te beginnen bij de positieve optie, de dankbaarheid. “Kunnen we dankbaar zijn voor het bestaan van onszelf en de ander, voor de tijd die we ‘krijgen’, de geboorte van een kind, de onmetelijkheid van het heelal waarin we leven, de schoonheid van de natuur, de uitdaging van een nieuwe dag, zonder voor een begrip van dankbaarheid een beroep te doen op een God die dat alles geschonken zou hebben?” (44) Deze vraag beantwoordt de filosoof Paul van Tongeren al essayerend met ja. Dankbaarheid wordt gewekt waar wij ons realiseren dat wij onderdeel zijn van een groter geheel en dat wij daaraan actief kunnen deelnemen. Dat grote geheel is de bredere leefgemeenschap en de traditie. “Traditie is de gemeenschap van gesprek waaraan we participeren, maar dat altijd groter is dan onze participatie eraan.” (54-55)

 

Mooi, maar als die werkelijkheid nu eens een hel is? Osewoudt heeft geen pater of genade nodig maar hij wil wel ‘gered’ worden. Door de feiten. Hij wil gelijk krijgen en niet voor gek verklaard. Van Tongeren vindt paradoxale voorbeelden van dankbaarheid voor wat je juist niet wil hebben in de persoonlijke getuigenissen, zowel binnen als buiten een godsdienstige context. Hij zoekt het in ‘het besef en de aanvaarding dat een uiteindelijke zin en een definitief geluk niet bestaan, en dus ook niet gemist hoeven worden.’ (101)
Zou Osewoudt ermee geholpen zijn? Hij wil recht ontvangen, geen therapie. Op een of andere manier heb ik het idee dat toch de pater het beste antwoord voor Osewoudt aandraagt. Hij is de laatste die de neergeschoten Osewoudt bijstaat: “ Osewoudt, je moet blijven leven! Osewoudt, versta je mij? Je moet blijven leven! Op deze manier mag je niet sterven. Je moet ontvluchten. Osewoudt, kun je mij nog verstaan? Ik zal je mijn soutane geven om in te vluchten! Is er dan nergens een dokter?” (318) In de jas van een ander ontkomen, is het heel gek als ik dat evangelisch duid? Iemand zag eens in een visioen hoe mensen witte gewaden kregen. Dat was redding, uit genade. (Openbaring 6,11) Ik denk dat Hermans er van gruwen zou.

 

Naar aanleiding van: Willem Frederik Hermans, De donkere kamer van Damokles. Ik las de editie die verscheen ter gelegenheid van de actie Nederland Leest, 1 november – 30 november 2012. Dit was de zevenenveertigste druk, met toestemming van uitgeverij G. A. van Oorschot, Amsterdam. De eerste druk verscheen in 1958.
Hermans vulde de roman in 1971 aan met dit citaat van Ludwig Wittgenstein als naschrift: ‘Ik kan hem zoeken als hij er niet is, maar hem niet ophangen als hij er niet is. Men zou willen kunnen zeggen: “Dan moet hij er toch ook zijn als ik hem zoek.” – Dan moet hij er ook zijn als ik hem niet vind, en ook als hij helemaal niet bestaat.”

 

Ton Anbeek, Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1885 – 1985. Amsterdam: Arbeiderspers, 41996

 

Paul van Tongeren, Dankbaar: Denken over danken na de dood van God. Zoetermeer: Klement, 2015. In hoofdstuk 8 geeft hij een mooie beschrijving van de drie gratiën uit de antieke verbeelding: de schenkende, de dank brengende en tussen in de ontvangende. “Want moeten we niet erkennen, dat zowel geven als danken alleen maar mogelijk worden door het ontvangen.” (80) Dank als wederkerige verhouding kan doorgaan maar ook eindigen na de zoveelste uitwisseling. Als het echter gaat om een cirkelbeweging dan gaat om het om een duurzame verhouding: “De gouden appel die de gratiën soms (bijvoorbeeld in Rafaels schilderij) in hun handen houden, zouden, als verbeelding van de onsterfelijkheid, in diezelfde richting kunnen wijzen.” (83)

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *