Naar een hoger niveau?

“Waarde monniken in het buitenland, het is goed dat u wedijvert met de monniken van Egypte, die u wilt evenaren of zelfs overtreffen in de ascese die naar de deugd leidt.” Met deze zin opent Athanasius (ca. 295-373) de aanbiedingsbrief bij de levensbeschrijving die hij maakte van de heilige Antonius (ca. 251-356). Antonius was een woestijnheilige uit Egypte die al tijdens zijn leven (hij werd 105!) veel aandacht trok. Door de levensbeschrijving die Athanasius van hem biedt is zijn bekendheid nog veel groter geworden. Tot op heden toe. De bijzondere lotgevallen van Antonius zijn toegankelijk vertaald door Vincent Hunink, met zinnige toelichting in de noten bij de tekst. De stevige uitgave uit 2013 (mooi met leeslint) ging mee op vakantie en tijdens de maaltijden voor de tent hebben M en ik de ervaringen van Antonius op ons in laten werken.

 

Wat me bij gebleven is dat hij, net als de kerkvader Augustinus later, door een Bijbeltekst gegrepen werd. “Verkoop al je bezit, geef het aan de armen en kom mij dan volgen,” sprak de Heer bij gelegenheid (Matteüs 19,21) en de jonge twintiger wist zonder twijfel: dit geldt voor mij. Antonius verkocht het familiebezit (zijn ouders waren recent gestorven), bracht zijn jongere zusje onder bij een paar vertrouwde en gelovige maagden, en vertrok. De eenzaamheid in, om zich aan de ascese te wijden en zo aan God. Hij leidde een teruggetrokken bestaan, met minimaal levensonderhoud en minimale levensomstandigheden.

 

Wat gebeurt er dan? De duivel komt op hem af: in de vorm van een verleidelijke vrouw, van schitterende rijkdom, maar ook van dieren en monsters. “Toen, die nacht maakten ze zo’n kabaal dat het leek of de hele plek stond te schudden. De vier muren van het gebouwtje werden door de demonen als het ware opengebroken, en ze leken erdoor naar binnen te komen. Ze waren van gedaante veranderd en verschenen nu als wilde beesten en reptielen. Meteen was de plek vol schijnbeelden van leeuwen, beren, luipaarden, stieren, slangen en adders, schorpioenen en wolven. … Antonius, hierdoor gegeseld en gestoken, voelde een nog heviger pijn in zijn lichaam. Maar zonder te trillen, ja, wakker van ziel, lag hij daar. Wel moest hij kreunen van de lichamelijke pijn, maar hij bleef nuchter van geest.” (46-47).

 

Is dit nu typisch duivels of demonisch? Wij, genoeglijk aan de maaltijd, waren geneigd dit seculier te duiden: psychologische processen van een mens die onder invloed van isolement en ondervoeding beelden te zien krijgt die door de context waarin hij leeft worden gevoed. En wat is hier nu zo heilig aan? Wordt God gediend door jezelf eerst in een onnatuurlijke situatie te brengen en vervolgens de held uit hangen door te vertellen dat je je niet gek laat maken door de duivel? Als Athanasius werkelijk wil dat anderen een voorbeeld nemen aan de belevenissen van Antonius en dan nog in wedijverende zin daarboven uit willen stijgen, wat is daar nu zo christelijk aan?

 

Dat was stof voor oer-protestante gesprekken gedurende een aantal maaltijden. Totdat wij daar wel weer klaar mee waren en onszelf in de strijd wierpen: wanneer kregen wij voor het laatst een ‘tekst’ die ons diep raakte? Welk appel van de Heer konden wij niet negeren? Als het duivelse gewoon in het aardse en het begrijpelijke kan zitten, hoe gaan wij dan met de geestelijke strijd om? Zo kreeg het boekje van Athanasius ineens veel aantrekkelijks. Ik weet nog goed hoe 1 Johannes 1,9 mij als jong volwassene diep heeft geraakt en bemoedigd: “Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.” (NV 1951).

 

Maar door het lezen en spreken over Antonius en Athanasius begreep ik ineens beter hoe zo’n tekst past in het geloofsbevinden van na de Reformatie met haar vraag: hoe krijg ik een genadig God? Antonius is voor Athanasius het model van iemand die door bemiddeling van Christus en zijn genade deel kan krijgen aan het goddelijke. “Athanasius eigen doctrine vindt een weerspiegeling in het door hem beschreven leven van Antonius, dat gekenmerkt wordt door een gestaag opstijgen naar een hoger niveau.” (52, noot 79). Laat dat nu precies zijn wat mij afstoot: gelovig levend allerlei hogere niveaus (moeten) bereiken? Griezel, nee zeg, het leven hier rafelt naar het einde om na een reiniging in Tussenbeide de eeuwigheid te beginnen. Ik kom met vergeving en vernieuwing het leven hier wel door.

 

Of zie ik nu iets over het hoofd?

 

Naar aanleiding van: Athanasius van Alexandrië, Antonius: Onsterfelijke icoon van een monnik. Vertaling: Vincent Hunink; Inleiding en annotatie: Gerard Bartelink en Guerric Aerden ocso. Budel: Damon, 2013.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *