Mensje toch

Het is moeilijk niet iets te vinden van het dagboek van Mensje van Keulen. De schrijfster publiceerde haar dagboek uit de jaren 1977-1979. Je hebt voortdurend de neiging om ‘goed!’ te roepen, of ‘fout!’ te denken. Althans zo vergaat het mij als ik lees dat zij vreemdgaat terwijl zij getrouwd is met Lon. Ik vind de schok terecht die haar treft bij de ontdekking dat Lon al twee jaar een relatie onderhoudt met C. De bedrieger bedrogen! ‘Fout!’ als ik lees hoe zij een abortus ondergaat en ‘goed!’ als zij Lon eens goed de waarheid zegt. Maar als zij hem gaat slaan, mompel ik: ‘dom, niet doen.’
“Koen hecht aan tradities, aan zekere regels en een daarvan is trouw,” schrijft Mensje en ik zeg: ‘Inderdaad, dat ben ik met Koen eens,’ ook al heb ik geen idee wie hij is. Mensje vervolgt: “Hij heeft gelijk, het is de enige manier tegen onzinnige, nodeloze ellende. Anders kan je er beter voor zorgen dat je alleen blijft.” (81).  ‘Eindelijk verstandige taal, Mensje,’  hoor ik mij zeggen. Ik heb een mening over het feit dat zij alcohol drinkt, veel alcohol. Als zij zwanger is, blijft zij roken en drinken. Daar vind ik wat van, ook al was dat destijds niet zo’n punt als tegenwoordig.
Kortom, het dagboek is een voortdurend appel op mijn moreel vermogen.
Ik was blij dat ik het uit had.

 

In dagblad Trouw (20 maart 2018) las ik dat ook Mensje zelf na al die jaren een oordeel heeft:

 

“…toen ik de schriften begon uit te tikken, schrok ik toch en werd ik er wel eens beroerd van. De confrontatie was zo heftig dat ik soms moest slikken en mijn tanden op elkaar moest zetten. Ik dacht ook vaak, hoofdschuddend: ‘Wat was je dom! Waarom deed je dat? Waarom ging je niet weg? Waarom doorzag je het niet?'”

 

Toch is die goed/fout-reactie me te gemakkelijk. Veel interessanter is de vraag hoe zij deel wordt van mij als lezer. Zij is een bekende schrijfster. Haar roepnaam is Mennie, voluit heet ze Mensje Francina van der Steen (* 1946). Samen met Gerrit Komrij, Theo Sontrop en Martin Ros zat ze jarenlang in de redactie van het literaire tijdschrift Maatstaf. In 1972 debuteerde ze en ze publiceert nog altijd onder de achternaam van haar ex-man, fotograaf Lon van Keulen. In het boek is een fotokatern opgenomen waarop een aantal van hen te zien zijn. Zou zij iedereen toestemming hebben gevraagd om haar verhaal te vertellen? Wat vond Lon ervan, en C? Het boek eindigt met de geboorte van haar zoon. Heeft hij het ook gelezen?
In het Trouw-interview stelt Sander Becker die vraag:

 

“Mijn 38-jarige zoon las een stukje en zei: ‘Nee, heb je dát gedaan? Met díe? Dat wil ik allemaal niet weten!’ En dan de vader van mijn zoon. Die woont al jaren in Frankrijk. Ik heb ‘m geïnformeerd, afgelopen najaar. Zijn reactie was: ‘Oh, maar dat dagboek was er toch al lang?’ Toen heb ik uitgelegd dat het ging om de volgende jaren, die niet zo plezierig waren. Daar heeft hij niet meer op gereageerd.”

 

Deze ontboezemingen waren nooit voor publicatie bedoeld. Toch komt zij er nu mee naar buiten. Als reden noemt zij het belang voor haar literaire werk. Maar zij zegt ook dit:

 

“Ik wilde niet dat iemand zich er na mijn dood over zou buigen en heb op het punt gestaan de schriften weg te gooien, maar daarmee zou al die bijgehouden tijd verloren gaan.”

 

Kijk, dat vind ik intrigerend: al die bijgehouden tijd kan ‘verloren gaan’.
Is dat zo, kan die tijd verloren gaan?
Paus Benedictus XVI schreef eens:

 

“Hier moeten wij opmerken dat de mens niet een gesloten monade is, maar in liefde en haat op anderen betrokken is en in hen leeft; zijn eigen leven is in de anderen aanwezig als schuld of genade.” (209).

 

Dat is volgens mij heel erg waar: wij leven deels in anderen. Zij weten iets van je, veel of weinig. Soms weten zij dingen over jou te zeggen, beter dan jij het zelf kan verwoorden. Je voelt je door de ander ‘ontdekt’.  Zo leven anderen (deels) in jou: gedeelde ervaringen, concrete herinneringen, indrukken, vooroordelen. Soms laat je dingen ‘bedekt’. Je wilt toch geen kwaad gerucht verspreiden?

 

De paus spreekt over aanwezig zijn ‘als schuld en genade’, maar waarom niet ook als trots of deernis, als eer of schande, als verdriet of weemoed? Hoe komt Mensje bij mij binnen: schuld of genade? Nee. Trots nee, eer nee, schande nee, deernis ja, dat voel ik. ‘Mensje, Mensje toch,’ dacht ik al lezend, wat een drama.
En soms: dit hoef ik niet te weten; echt, teveel van het goede.
Soms is zwijgen echt goud.

 

Naar aanleiding van: Mensje van Keulen, Neerslag van een huwelijk: Dagboek 1977-1979. Amsterdam/Antwerpen: Atlas Contact.

 

Joseph Ratzinger/Benedictus XVI, Over dood en eeuwig leven. Lannoo, Tielt, 2009.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *