Lang, duur, moeitevol en kort

Het leven is minder maakbaar dan je wenst. Ik mag over mijn eigen leven niet klagen – ik kon veel kansen realiseren – maar door mijn werk heb ik in veel levens van anderen meegekeken. De hoeken en wendingen die ik mensen heb zien nemen, gedwongen door de omstandigheden of door genomen stappen – het was onvoorstelbaar soms. Ik heb de neiging hier een sluitende visie op te zoeken. Laat we het leven praktisch niet in de vingers hebben, denkend moet je toch een eind kunnen komen. De ratio, het is mijn comfortzone.

 

Maar hoe ouder ik word, hoe minder ik er vertrouwen in heb dat we eruit komen. Hier is een gedicht dat je hierbij stil zet. Griezelig eenvoudig geformuleerd, met een misleidende titel ‘Liedje’. Hou je vast, het vanzelfsprekende gaat onder de loep.

 

Het duurt altijd langer dan je denkt,
ook als je denkt
het zal wel langer duren dan ik denk
dan duurt het toch nog langer
dan je denkt.

 

Het is altijd veel duurder dan je denkt,
ook als je denkt
het zal wel duurder worden dan ik denk
dan wordt het toch nog duurder
dan je denkt.

 

Het kost meer moeite dan je denkt
ook als je denkt
het zal wel veel meer moeite kosten dan ik denk
dan kost het toch meer moeite
dan je denkt.

 

Het duurt veel korter dan je denkt
ook als je denkt
het zal wel korter duren dan ik denk
dan duurt het toch
nog korter dan je denkt.

 

Judith Herzberg, 218

 

Judith Herzberg grossiert in geraffineerde taal, ‘schijnbare eenvoud’ volgens Ton Anbeek (250). Als je nauwkeurig observeert, zie je dat je met ‘denken dat het wel langer zal duren’ niet uitkomt. Je probeert je voor te bereiden op een tegenvaller of teleurstelling. Bijvoorbeeld: in de wachtkamer zal je wel langer moeten wachten op de dokter dan je dacht. Door de verhalen was je al voorbereid op het slechte tijdbeheer van artsen. Je bent gewaarschuwd. Je dekt jezelf in. Helpt het? Als het langer duurt, ben je tóch nog teleurgesteld. Het duurt toch nog langer dan je denkt.

 

Maar, zegt Herzberg, besef dat dat ook geldt voor het tegenovergestelde. De laatste strofe beweert hetzelfde voor het ‘korter’ duren. Dat is in de wachtkamer geen probleem, maar wel als je iets te genieten hebt. Het moment dat je altijd vast zou willen houden, blijkt niet vast te houden. De geliefden aan wie je gehecht bent, kunnen zo uit je leven verdwijnen. Zo is het gewoon. Tussen lange en korte tijden zijn er dure dingen en moeitevolle situaties. Zo verkent de dichteres de “…gevoelens en levensproblemen, die voortvloeien uit de beperkingen van het menselijk bestaan.” (Fokkema, 107).

 

Het meest pittige van het gedicht is misschien wel wat er volgt na de vierde strofe. Niets namelijk. Het enige dat de reeks lijkt op te roepen zijn nieuwe voorbeelden. Het is altijd dieper dan je denkt… hoger, luider, stiller… Ik snak naar een bezwerend woord. Een hoopvol uitzicht. Ik wil er niet aan dat het leven beperkt is.

 

Naar aanleiding van: Judith Herzberg, Doen en Laten: Een keuze uit de gedichten. (Rainbow Pocket). Amsterdam: Muntinga, 1994.

 

Ton Anbeek, Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1885 – 1985. Amsterdam: Arbeiderspers, 41996.

 

Redbad Fokkema, Aan de mond van al die rivieren: Een geschiedenis van de Nederlandse poëzie sinds 1945. Amsterdam/Antwerpen: Arbeiderspers, 1999.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *