Lachen uit verlangen

Jaren geleden las ik een boek over ‘Eerste keren in de Bijbel’. Meir Shalev gaat door het Oude Testament heen en wijst je op de eerste liefde, de eerste droom, de eerste huilbui, maar ook op de eerste lach. Joden zijn heel goed in het vertellen van goede grappen (Sam en Moos!) en heel trefzeker observeert Shalev ineens: “… met Abraham en Sara begon de joodse traditie van humor die uit nood wordt geboren.” (240).

 

Ik heb me een ogenblik afgevraagd of ik zo de humor in Magdalena van Maarten ’t Hart kon plaatsen. Want gelachen heb ik tijdens het lezen van dit boek. De absurde dialogen met zijn moeder, haar wonderlijke geloofsbeleving en de komische situaties, echt ik vond het heerlijk. Komt zijn moeder een keer bij hem in Warmond – wat ze toch al niet vaak deed – neemt hij haar even mee de tuin in. Terwijl zij commentaar geeft op het aanwezige onkruid (‘bij mijn vader zou al het vuil weg zijn’) arriveren zij bij een afdakje. Daaronder staat een pauw. “Ach, ’t is een schat van een beest, daar hoef je nou echt niet bang voor te zijn.” Maar dat is Lena t’ Hart wel.

 

“Ze komt achter ons aan, jaag dat snertbeest weg. Als ik geweten had dat je hier zo’n snertbeest had zitten, was ik niet gekomen, vort, vort met dat beest, jaag ’t weg, alsjeblieft, jaag ’t weg.”
“Kom nou maar, we lopen hier de nauwe doorgang in, en dan zijn we al zowat bij de keuken.”
“Jaag dat beest nou alsjeblieft weg, ik besterf het zowat.”
“Goed, maar loop jij dan snel door, dan loop ik even terug en jaag haar weg.”
Mijn moeder probeerde een sukkeldrafje, terwijl ik even terugliep en de pauw begeleidde naar haar abri’tje. Spijtig genoeg vond de vogel het nodig een ijselijke schreeuw te produceren. Dus toen ik weer teruggedraafd was naar mijn moeder lag zij met haar gezicht naar de grond gewend in het gras, bevend over haar leden. Ik trok haar overeind, tilde haar op en droeg haar naar de keukendeur.
“Neem een slokje water voor de schrik,” zei ik, toen ik haar met vrij veel moeite uiteindelijk op een keukenstoel had weten te zetten. Toen ze weer enigszins was bijgekomen, zei ze: “Ik ga naar huis. Straks komt dat beest nog binnen zetten.” (156).

 

Humor dus, in talloze passages. Toch vergaat je bij het lezen het lachen op den duur. Eigenlijk gebeurt dat ook bij de schrijver zelf. Volgens mij heeft hij het boek met een glimlach geschreven. Je proeft door het boek de milde genegenheid voor zijn moeder. Maar zodra het geloof ter sprake komt gaat lichte spot over in sarcastische zurigheid. Met name het slothoofdstuk loopt op deze manier volkomen uit de rails. Moeder ’t Hart heeft bij leven aangegeven wat er gezongen moet worden in de afscheidsdienst. Maarten speelt op het orgel, Bach zoals te verwachten. De dominee krijgt een veeg uit de pan (229), maar daarna behandelt Maarten ’t Hart stap voor stap de tekst van de Apostolische Geloofsbelijdenis (AG, kort de schrijver af) en het Onze Vader. Overal heeft hij kritiek op (nou ja, één waar woord bevat de AG: ‘geleden’, 238), in de trant van: hoe kun je je dat als modern mens voorstellen? Opgevaren ten hemel? “Ging hij omhoog, de wolken tegemoet? Als een soort drietrapsraket avant la lettre? Maar zelfs al blijf je met de snelheid van het licht omhooggaan, dan nog duurt het vier jaar eer je bij de dichtstbijzijnde ster terechtkomt. Dus waar is de opstijgende Jezus heen gevaren? Dit is op afstand de meest dwaze opmerking in de AG.” (240). Om verzet en woede valt weinig te lachen.

 

Ik heb overigens niet het idee dat het boek kwetsend voor God zou zijn, of een belediging van de Heer. Vanuit het perspectief van Maarten al helemaal niet, hij wil christenen raken, maar ook niet in mijn geloofsbeleving. Dat zijn moeder zich zorgen over haar zoon maakte, is te begrijpen. Maar verder zou je toch als gelovige lezer van Maarten ’t Harts uitstekend geschreven verhalen vooral de humor van het menselijk geloven moeten meemaken? Humor omdat het inderdaad vaak zo bekrompen is. “Twist en tweedracht, overal waar de Heere gediend wordt.” (242). Ik kan hem niet anders dan gelijk geven. Ik ben zelf onderdeel van het wonderlijke fenomeen ‘de kerk’, en ik neem mijn deel van schaamte en schande op me. Als mensen stellen dat de kerk een venijnig en giftig verschijnsel kan zijn, ik ben de eerste die toestemt.

 

De kerkelijke traditie waarin ik sta komt ter sprake in Magdalena. Maarten ’t Hart citeert een brief uit 1994. Nico, de broer van Lena, schreef aan zijn zuster. Hij verwijt haar na vele jaren nog dat zij en haar man Pau niet met de Vrijmaking (1944) zijn meegegaan. Hadden zij dat wel gedaan, dan had het kerkelijk leven met herderlijke tucht, catechetisch onderwijs en broederlijke vermaning hem op het rechte pad kunnen houden. “Bekeer je, zuster, bekeer je, verbrijzel de synodale ketenen.” (158). Het voelt niet goed om zo expliciet het gedachtengoed te lezen dat ik ken. Ik druk me zacht uit. Het meest recent overkwam me dat bij het lezen van Domineesfabriek. George Harinck en Wim Berkelaar beschrijven de geschiedenis van de Theologische Universiteit in Kampen. De periode van de jaren zestig en zeventig was theologisch buitengewoon beperkt en kerkelijk bekrompen. Hoeveel ging het niet om macht in de kerk (343)? Macht, dat is echt één van de moeilijkste dingen om te hanteren in het volgen van de Heer.

 

Ontstond de lach bij Abraham en Sara niet vanuit onmacht? Dat bedenk ik nu. Hun nood was de onmacht om samen kinderen te verwekken en te ontvangen. De HEER bouwt ineens een enorme spanning op door de onwaarschijnlijke belofte: precies over een jaar zullen jullie een zoon hebben (Genesis 18,10). Verlangen is weer gewekt. De HEER wekt verwachting en kust daarmee ons diepe verlangen wakker. Je durft het niet te geloven: zouden zij en Abraham het dan toch kunnen? Sara lacht. Haar zoon zal ‘hij lacht’ heten. Dwars door schaamte en schande heen blijf ik dan ook maar lachen. Ik kan er niets aan doen.

 

Naar aanleiding van: Maarten ’ t Hart, Magdalena. Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers, 2015.

 

Meir Shalev, In den beginne: Eerste keren in de Bijbel. Amsterdam: Ambo, 2011. (Oorspronkelijke titel: Resjiet: Pe’amiem risjonot ba-Tanach, vertaald vanuit het Hebreeuws door Ruben Verhasselt).

 

George Harinck, Wim Berkelaar, Domineesfabriek: Geschiedenis van de Theologische Universiteit Kampen. Amsterdam: Prometheus, 2018.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *