Kus op de bloedeloze mond

Als Jezus na lang zwijgen de negentigjarige groot-inquisiteur op de mond kust, de bloedeloze mond, dan ben ik diep onder de indruk. In Dostojewski’s roman De gebroeders Karamazov vertelt Iwan het verhaal van de groot-inquisiteur aan zijn broer Aljosja. Al lezend loopt de spanning op. De oude katholieke kerkleider in het middeleeuwse Sevilla loopt verschrikkelijk leeg tegen de Heer. Het zit hem enorm dwars dat Jezus Christus langskomt, genezend en al, op de dag na de terechtstelling van honderd ketters. Daarom heeft Hij de Heer laten arresteren om Hem de volgende dag ook te verbranden. “Antwoord niet, zwijg stil. Wat zoudt u ook kunnen zeggen? Ik weet maar al te goed wat u zeggen zoudt. Maar u hebt het recht niet om nog iets toe te voegen aan uw woorden van vroeger. Waarom bent u ons komen hinderen? Want u bent immers gekomen om ons te hinderen en dat weet u zelf heel goed.” (252, zie ook 254, 260, 263)

 

Waarom komt u ons hinderen? Deze vraag is terechtgekomen in een recent handboek Christelijke Dogmatiek. Terecht, het is de meest nuttige vraag voor elke nieuwe generatie christenen. Deze vraag helpt je namelijk het laatste oordeel van de Heer voor te bereiden. Dan zal Hij vragen of de kerk Hem gediend of gehinderd heeft. Daarom moet je je nu durven laten hinderen, om op het goede spoor te blijven.
Het mooiste van dit ‘gedicht van de groot-inquisiteur’ is dat er een sterk overtuigd leider aan het woord is. Hij neemt Jezus Christus’ leven en werk zo serieus dat hij meent dat er een verbeterde versie van nodig is. Het springende punt is: Jezus overvraagt de gewone man. Een elite kan de vrijheid aan en meekomen met de rijk van Jezus, de massa echter niet. De groot-inquisiteur heeft het geprobeerd, maar hij kwam tot inkeer: “U verheft u op uw uitverkorenen, maar die uitverkorenen zijn dan ook uw enige bezit. Maar wij zullen alle mensen tot rust brengen.” (261) “Maar ik kwam tot bezinning en wilde mijn diensten niet aan de verdwazing lenen. Ik ben op mijn schreden teruggekeerd en heb me gevoegd bij de schare die uw werk verbeterd heeft.” (263)

 

Bram van de Beek en Herwi Rikhof noemen in hun boek Wij geloven dit verhaal een van de mooiste en diepzinnigste commentaren op Jezus’ veertig dagen in de woestijn. (60) Jezus heeft de duivel verworpen die hét middel aanbood om de hele mensheid te verzorgen: wonder, mysterie en autoriteit. De mensen kunnen de vrijheid van Jezus’ evangelie niet aan. Daarom is er een strakke leiding nodig. De mensen zullen er zelfs om smeken. De geweldige demon heeft het goed gezien. De Rooms-katholieke kerk is eeuwen geleden hem gaan volgen, in plaats van Christus. De kerk verbetert het werk van de Heer en wil daarom niet dat Hij nu langskomt om in de weg te lopen: de ketterverbranding moet doorgaan en Jezus zal daarom de volgende zijn. “Aldus heeft u persoonlijk de grondslag gelegd voor de ineenstorting van uw koninkrijk,” bijt de groot-inquisiteur de zwijgende Jezus toe, “en daarvoor kunt u niemand anders verantwoordelijk stellen. En wat werd u ondertussen aan de hand gedaan? Er zijn drie krachten, de enige drie krachten op aarde die in staat zijn het geweten van deze zwakke rebellen tot hun eigen geluk te overwinnen en in boeien te slaan en dat zijn: het wonder, het mysterie en de autoriteit.” (258, zie ook 259)

 

Hier ben ik helemaal in het verhaal opgenomen. Ik ben zelf kerkleider en herken het gevaar van  controle en dwingend kerkbestuur. Voor ketterverbranding zijn we te beschaafd maar het verlangen is sterk om de mensen te zien als kinderen die vaders nodig hebben. Het Bijbelse taalveld en het kerkelijk jargon sorteren daarop voor: God is Vader, wij zijn kinderen, de pastor is herder, de gelovige schaap. Hoe kom je tot een volwassen geloof als je steeds in de positie van kind wordt geplaatst? Ik ontdek dat ook de groot-inquisiteur niet vrij en niet volwassen is. Hij is de ouder, kritische of voedend, die nu eens eindelijk de gelegenheid te baat neemt om de Heer zelf als kind te behandelen. Dostojewski is psycholoog genoeg om te weten wat zo’n razende bejaarde eigenlijk verwacht. “… als de inquisiteur uitgesproken is wacht hij enige tijd op wat de gevangene hem zal antwoorden. Diens zwijgen valt hem zwaar. Hij heeft gezien dat de opgeslotene hem al die tijd rustig en aandacht heeft aangehoord en hem daarbij recht in de ogen heeft gekeken zonder kennelijk iets tegen zijn woorden in te willen brengen. De grijsaard had graag gezien dat zijn gevangene hem althans iets terug zei, al was het nog zo bitter en vreselijk.” (265)
Maar dat doet Jezus niet. Hij laat zich niet manipuleren door deze door onbetwiste machthebber. Hij is werkelijk de Volwassene. Hij neemt zichzelf serieus, hij neemt deze onrustige oude man serieus en ziet de werkelijk behoefte: geliefd worden, dat eerst. “Maar opeens komt de  gevangene op de grijsaard toe en kust de negentigjarige op de bloedeloze mond. En dat is al wat hij te antwoorden heeft. De oude man huivert. Hij trekt in zijn mondhoeken; hij loopt op de deur toe, opent die en zegt tegen de gevangene: ‘Ga heen en kom niet meer terug… kom beslist niet terug, nooit, nooit meer!’ En hij laat hem gaan ‘door der stad duistere straten’. De gekerkerde verdwijnt.” (265)

 

Jezus’ liefde geeft ruimte voor heling. Maar ook tot je eigen genezing dwingt Hij niet. Als de groot-inquisiteur hem wegstuurt, verdwijnt de Heer. Levend en wel. “Dostojewski laat Aljosja zeggen dat het geheim van de grootinquisiteur is dat hij niet in God gelooft. Misschien is het preciezer te zeggen dat hij niet in de God gelooft zoals die in de prediking, in het doen en laten van Jezus Christus naar voren komt, niet in de God die de Vader is van deze Zoon. De duivel biedt een andere visie aan. De duivel is een theoloog, alleen geen christelijke.” (Van de Beek en Rikhof, 63)

 

Wat een vrijheid. Mooi is dat Aljosja direct het voorbeeld van de Heer navolgt bij het afscheid van Iwan (266, 267) Ware christelijke vrijheid is bijna onbereikbaar. Maar je kunt er wel in oefenen op momenten die ertoe doen.

 

Naar aanleiding van: Fjodor M. Dostojewski, De gebroeders Karamazov. Utrecht/ Antwerpen: Veen, 1981. Vertaald uit het Russisch door Marko Fondse. Het ‘gedicht’ (zoals Iwan het noemt) over de groot-inquisiteur is het vijfde hoofdstuk van het vijfde boek, opgenomen in het tweede deel van de roman. In de Nederlandse vertaling te vinden op de bladzijden 249-267. Het is Dostojewski’s laatste grote roman, geschreven tussen 1877 en 1880. “De drie broers Karamazov vertegenwoordigen heel verschillende karakters: Dmitri is de romanticus; Ivan is de intellectueel en atheïst, en daarmee vertegenwoordiger van alles wat Dostojevski verafschuwde; Aljosja is de minst extreme van de drie; hij is aan het begin van het boek een novice en verkeert onder invloed van de oude wijze monnik Zosima. Geloof is voor hem iets vanzelfsprekends waarzonder hij niet kan leven. …  Het hoofdthema is echter geloof tegenover verstand, de vraag hoe je geloof in overeenstemming met je verstand kunt brengen. En ook, naarmate het verhaal vordert, steeds meer de superioriteit van geloof boven verstand, van het intuïtieve weten boven de met feiten gestaafde argumentatie.”  (Arthur Langeveld, Russische literatuur in een notendop. Amsterdam: Bert Bakker, 2006, 70-71)

 

Bram van de Beek en Herwi Rikhof, Wij geloven: Rooms-katholiek en protestant: één geloof. (De geloofsbelijdenis van Nicea/Constantinopel uitgelegd). Utrecht: KokBoekencentrum, 2019

 

 

Karel van het Reve, Geschiedenis van de Russische Literatuur: Van Vladimir de Heilige tot Anton Tsjechov.5 Amsterdam: Van Oorschot, 1990: “Daar er in zijn werken nogal eens figuren voorkomen met afstotende karaktertrekken – in de Gebroeders Karamazov heb ik niemand aangetroffen met wie ik ook maar een minuut in een vertrek zou willen vertoeven – heeft men bij Dostojevski zelf ijverig naar afwijkingen gezocht, maar behalve zijn norsheid en neiging tot het maken van schulden en zijn hartstocht voor de roulette en zijn nationalistische vooroordelen heeft niemand iets gevonden, of het moest de opgewondenheid zijn die hem kenmerkt en waaraan zo velen van zijn romanfiguren lijden. Als bij Dostojevski A tegen B zegt: laat ons een eindje gaan wandelen, dan is de kans twee op drie dat de reactie van B beschreven wordt als ‘Ja graag, verheugde zich B, ten prooi aan een plotselinge grote opgewondenheid. Ja graag, laat ons vooral een eindje gaan wandelen!’ (335-336)

 

“Zijn religieuze opvattingen zijn betrekkelijk eenvoudig: centraal staat een grote verering voor Christus, de Christus die leerde dat het heil van de naaste boven alles gaat. Alle schurkenstreken van God, alle twijfel aan Gods bestaan verdwijnen daarbij naar de achtergrond. Moest hij kiezen tussen de waarheid en Christus, dan zou hij Christus kiezen. Daarbij meende hij – en nu komen we bij zijn politieke opvattingen – dat er meer Christus in het Russische zat dan in anderen volkeren. Dat geloofde hij op zeer naïeve wijze. … ‘De ganse bestemming van Rusland ligt in de Orthodoxie, in het Licht uit het Oosten, dat zal stromen naar de verblinde Mens in het Westen, die Christus verloren heeft. Al het ongeluk van Europa is zonder uitzondering gekomen doordat ze met de Roomse Kerk Christus verloren hebben, en daarom besloten hebben dat het zonder Christus ook wel ging.’ Dit soort uitspraken hebben een geweldige aantrekkingskracht op veel Russen gehad en trouwens ook op veel lezers buiten Rusland.” (355-356)

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *