Is dit normaal?

Ik was met een vriend een dagje uit. We liepen door de stad, diep tevreden mompelde ik: “En zo gingen die beiden tezamen.” Het is een opmerking van  de schrijver van het boek Genesis. Abraham krijgt de opdracht zijn zoon te offeren. Zij verdelen hout, vuur en mes en lopen naar de locatie waar het gebeuren zal. “En Abraham zeide: God zal zichzelf voorzien van een lam ten brandoffer, mijn zoon. Zo gingen die beiden tezamen.” Genesis 22,8 in de vertaling van 1951 waarmee ik groot geworden ben. Tijdens de lessen Hebreeuws in mijn theologische opleiding behandelde de hoogleraar dit hoofdstuk. Ik heb zelfs in de grondtekst dit zinnetje paraat: wajelechoe shenehem jachdau. Maar waar het voor Abraham toch werkelijk geen parkwandeling was, is de uitspraak voor mij de vertaling van iets vredigs geworden.

 

De Bijbel deelt dit lot met alle grote literatuur. “Arma virumque cano…” (Vergilius, Aeneas),  “Shall I compare thee to a summers day?” (Shakespeare) of “De rest is naspel.” (Harrie Mulisch, De Aanslag). Je kunt eindeloos citeren. Als het maar past. Het heeft geen enkele zin om te discussie te openen of het gekozen citaat ook werkelijk wil zeggen wat je bedoelt. In mijn voorbeeld blijkt er nogal een verschil, maar wat doet het ertoe? Welke tekstpolitie gaat mij verbieden om citaten uit hun verband te rukken? De vraag is of het woord past.

 

Ik las de roman Jeruzalem van Gonçalo M. Tavares. Goed geschreven verhaal over gestoorden. Geen van de hoofdpersonen heeft een normaal burgerleven. Mylia, Ernst, Kals, Theodor, Hanna en Hinnerk zwerven op een nacht door de stad. Elk heeft een eigen aanleiding en voor een deel zijn ze familie of verwant. Via een rare kluwen van gebeurtenissen komen ze elkaar tegen en vallen er doden: waanzin, geweld, angst, verlangen, onvermogen en de kerk. En God. En citaten uit de Bijbel.

 

Arts Theodor Busbeck heeft als uitgangspunt: “Iemand die God niet zoekt is gek. En een gek heeft behandeling nodig.” (52) Mylia is als jong meisje zijn vrouw geworden hoewel zij als patiënt bij hem gebracht werd. Met de diagnose schizofrenie. (31) Het boek opent met Mylia die ’s nachts een kerk zoekt die open is. (7-8) Ernst Spengler was patiënt in het Georg Rosenberghospitium tijdens de periode dat ook Mylia daar was om behandeld te worden. Hij treft Mylia verward, met pijn aan. Lange tijd hebben zij elkaar niet ontmoet. “Maar het zenuwachtige gezicht van Ernst liet zien in hoeverre al die jaren hem niet hadden veranderd. Gerustgesteld herinnerde Mylia zich de woorden: ‘Als ik u ooit vergeet, Jeruzalem, mag mijn rechterhand verdorren.’ De twee omhelsden elkaar.” (143)

 

In een gestoorde geest kan alles gecombineerd worden. Tot zover geen probleem met dit Bijbelcitaat uit Psalm 137 (vers 5). In de bewuste nacht krijgt zij het vuurwapen van Hinnerk in handen (die net Kals heeft vermoord, de zoon die zij had van Ernst). “En Mylia lijkt elke seconde die verstrijkt haar aandacht meer te richten op die man en Ernst te vergeten. Ze heeft er spijt van dat zij hem gebeld heeft. Het Georg Rosenberg is lang geleden afgelopen, haar hand is niet verdord en het is niet het goede moment om met Ernst te praten; en het zal daar ook nooit het goede moment voor zijn.” (210) Later wordt opnieuw op dit Bijbelwoord gezinspeeld. Zij zit dan in de gevangenis. Veroordeeld voor een moord die zij niet begaan heeft. Zij denkt hardop: “Als ik u ooit vergeet, Georg Rosenberg…. En het was inderdaad onmogelijk voor Mylia om te vergeten. Mijn rechterhand is niet verdord, dacht ze soms, terwijl zij haar hals streelde.” (212)

 

Hoe kan ik hier nu de goede vraag bij stellen? Van verwarden kan je alles verwachten. Maar als lezer wil ik toch enige consistentie aantreffen. Het plot moet toch een beetje deugen? De zoektocht naar God is normaal, aldus dokter Theodor, goed, maar hoe heb ik nu als lezer hier iets van gezien in deze verwarde en verkluwde levens? Hoe passen de gekozen citaten hierbij? Ik snap het niet.
En ineens word ik besprongen door de gedachte dat Tavares nu juist dat wil bereiken met me: hoe normaal is je verwachting? Ben jij wel normaal? In het nawoord betoogt vertaler Lemmens dat Tavares wil zeggen dat slachtoffer en beul stuivertje kunnen wisselen: “Dat is het grote, het maatschappelijke geweld. Een vorm van klein geweld, dat ook een plaats krijgt in dit boek, is de psychiatrie, waar men zo vaak zegt mensen te genezen van hun ziekte, van de beklemming en tekortkomingen in hun hoofd, maar ze in werkelijkheid slechts van hun identiteit beroven. Opnieuw wreedheid.” (224-225)

 

Ik word nog onrustiger als ik bedenk dat juist dit boek omgekeerd in zijn kaft is geplakt. Nummer 7 in de serie Europese Literatuur (uitgegeven door Trouw in 2013) moet ik dus eigenlijk op z’n kop in de kast zetten. Een complot?

 

Naar aanleiding van: Gonçalo M. Tavares, Jeruzalem. Amsterdam: Querido, 2013 (Nederlandse vertaling van Jerusalém, 2011, vertaald uit het Portugees door Harrie Lemmens). Ook uitgegeven in de reeks Europese Literatuur van dagblad Trouw in 2013. Hierboven verwijs ik naar de paginering van deze Trouw-editie.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *