Ik ben OK, U bent OK

“Ik ben OK, jij bent OK” dat is één van de vier levensposities die de Transactionele Analyse (TA) onderscheidt. In deze basishouding zie je jezelf als aardig en prettig in de omgang. Je ouders en andere volwassenen zijn betrouwbaar, je hebt een positieve kijk op jezelf en de mensen om je heen. Dat is even anders bij “Ik ben niet-OK, jij bent OK”, of andersom “Ik ben OK, jij bent niet-OK”. Om maar niet te spreken van “Ik ben niet-OK en jij bent niet-OK”.

Ik ben sinds een paar maanden intensief in de weer met TA. Hoe werkt dat bij mijzelf, hoe werkt dat bij anderen? Onvermijdelijk komt dan ook de vraag op hoe dit nu werkt in het christelijk geloof. “Ik ben OK, U bent OK”, kan dat tussen ons en God?

 

Het lezen van een oude roman biedt me alle ruimte om daarover te filosoferen. Het Paradijs van Jan Overduin is het fictieve verslag van een man aan het einde van zijn leven. Hij wil schoon schip maken. Door middel van een lange biecht zijn ‘levensgeheim’ onthullen en zo zorgen dat hij met een goed geweten het leven verlaat. De roman is door en door christelijk. De vraag naar de toegang tot de hemel krijgt volop aandacht. Zal hij worden binnengelaten? Lang heeft hij gedacht van niet. Maar het slot van het verhaal is het nawoord van de dominee. Deze kan hem bemoedigen met de gedachte dat de stervende spoedig zijn al overleden vrouw en kind zal weerzien. (317)

 

Tijdens zijn leven heeft de hoofdpersoon een keer een zelfdoding voorbereid. (184-200) In de TA-benadering heeft dat te maken met de manier waarop je in je vroege jeugd de (verbale en non-verbale) boodschappen van ouders of andere volwassenen hebt opgepakt en verwerkt: “Als u ooit zelfmoord hebt overwogen, dan is het heel waarschijnlijk dat uw scriptboodschappen de injuctie Besta Niet bevatten. Hetzelfde is waarschijnlijk het geval als u zichzelf ooit waardeloos, nutteloos of onbemind hebt gevoeld.” (Stewart & Joines 137) Dat klinkt nogal rigoureus: besta niet! Iets gewoner klinkt het zo: “Had ik je maar nooit gekregen!” Niet elk kind wordt verwelkomd, zeker niet in de tijd voor de algemene acceptatie van de anticonceptiepil. In die tijd moeten wij de roman van Jan Overduin (1907-1958) situeren. Hij beschrijft de wereld van een enig kind in een gezin dat leeft voor de Tweede Wereldoorlog. Over zijn ouders komen we niet zoveel te weten, maar wat we horen getuigt niet van een warme band: van moeder vernemen we weinig tot niets, vader is zelden thuis vanwege zaken. De jongen is eenzelvig op school en gaat bij een broer van vader in de kost: “Voor deze oom heb ik niet veel anders dan vrees gekoesterd, zolang ik hem gekend heb…” (14). Oom kleineert hem, tante verzorgt hem ‘plichtmatig en geruisloos’. (15)

 

Een dergelijk negatief jeugdklimaat zadelt je op met een geweldige taak: bewijs dat je bestaan iets waard is. Bestaan als klus. Er moet aan voorwaarden worden voldaan: Wees Perfect en Wees Sterk (in TA termen: twee van de vijf drivers). De lat ligt hoog (want ik ben niet-OK) en ook de ander moet meewerken (jij moet OK zijn). De permanente dreiging is uit te tekenen: aan die voorwaarden zal en kan niet voldaan worden, vooral naar eigen inzicht. Door vergelijking kan het ideaal wordt geconstrueerd en als voortdurende meetlat worden gehanteerd. Zo ontstaat bij deze gevoelige jongen de ideale vrouw in fantasie (super-OK), aan de hand van een voorstelling van Adam en Eva in het paradijs: “De schaarse inlichtingen die mijn moeder op mijn weetgierige vragen naar deze geschiedenis wist te geven, werden aangevuld door de zalige fantasieën van mijn kinderlijke verbeelding.” (20). Als later een meisje van vlees en bloed de verbeelding van de reine oervrouw wordt, en zij een keer ‘schaamteloze woorden’ spreekt (26), dan stort zijn wereld in elkaar (super niet-OK). Waartoe dient alles? De wereld is krankzinnig. Hij wordt boos en zint op wraak: “Nu ik bedrogen was door wat mij het edelste op aarde had toegeschenen, wilde ik mij wreken door aan niets ter wereld meer geloof te schenken.” (27-28)

 

De werkelijkheid is wreed en onvoorspelbaar. Hij trouwt met Elize. Zij sterft. Hun enig dochtertje Like sterft ook, kort daarna. Hij weet zeker dat hij schuld eraan heeft. (167, 176, 181) Hij heeft geen recht van bestaan. Alles drijft hem naar zijn eigen dood. Maar op het dieptepunt komt dan een wending. Hij geeft zijn laatste geld weg aan een weesmeisje, Antje. Zij vraagt om de volgende dag weer te komen. “Zonder erbij na te denken knikte ik ja, alleen om het kind een genoegen te doen.” (195)

 

Hoe komt God nu ter sprake in dit verhaal? God mag nooit teleurstellen. Hij doet het toch. (131, 142) De hoofdpersoon (die maar geen naam krijgt!) vervloekt God, nu al zijn levensgeluk is vernietigd. (167) Geluk, dat is het kernwoord dat de wending gaat geven. De dominee vraagt of een mens een ander buiten God om gelukkig kan maken. (220) God verantwoordt zich niet over zijn daden (223) maar is wel degelijk op het grote Geluk van de mens uit. Hij geeft zichzelf. Die waarheid eigent de hoofdpersoon zich langzaam maar zeker toe. Aan het slot zijn dit zijn laatste woorden (met een verwijzing naar Johannes 17,3): “Dit is het eeuwige leven dat zij u kennen. Ja, U alléén!” (312)

 

Een boek vol niet-OK. Herkenbaar genoeg helaas. Het levensscript van deze man wordt gedomineerd door het Aangepaste Kind die voortdurend in gesprek is met de stemmen van de Ouder. Ik ken het patroon. Het Vrije Kind zie ik een klein beetje naar buiten komen als het weesmeisje die rol voordoet. Hoe moeilijk is het om weer oog te krijgen voor de positieve insteek van Gods bemoeienis met ons. Dit moet toch anders kunnen? Is er een weg om komen tot “Ik ben OK, U bent OK”?

 

In elk geval kunnen we voor het leven hier en nu zeggen dat de basisboodschap bij je geboorte is: Besta! Hoor David: “U was het die mijn nieren vormde, die mij weefde in de buik van mijn moeder. Ik loof u voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan, wonderbaarlijk is wat u gemaakt hebt. Ik weet het, tot in het diepst van mijn ziel.” (Psalm 139,13-14). Dat lijkt me een goede start: “Ik ben OK”, want ik ben gewild en verwelkomd door mijn Schepper.

 

Is God dus ook OK? Daar wringt het snel. Misschien als Schepper wel, maar als Hij geboden gaat geven, wordt het spannend. Hoe royaal Hij alles ter beschikking stelt, het verbod van één vrucht is een ongekend hoge lat. Wees Perfect! Nu dat mislukt is, lukt het ons amper om te zeggen: Genoeg is Genoeg. Tenzij je gelooft dat de beslissing voor je al genomen is. Je bent al beoordeeld en vrijgesproken: “Het is God die door Christus de wereld met zich heeft verzoend: hij heeft de wereld haar overtredingen niet aangerekend.” God is OK. Genade is een kwestie van krijgen en veranderd worden: “Wij allen die met onbedekt gezicht de luister van de Heer aanschouwen, zullen meer en meer door de Geest van de Heer naar de luister van dat beeld worden veranderd.” (2 Korinte 3,18)

 

Maar er is nog iets. Ik wil kunnen zeggen dat ik iets niet kan, of wat mijn behoeften zijn. Dat hoort bij Ik ben OK. Ik weiger me te laten opdrijven door de stem die zegt: Wees Sterk! Ik wil serieus genomen worden als gesprekspartner van de Almachtige. Ik moet nu ineens denken aan Abraham, Mozes, de leerlingen van Jezus. Zij worden allen als vrienden betrokken bij Gods plannen. God neemt Abraham in vertrouwen bij zijn plannen voor Sodom: “De HEER dacht: Waarom zou ik voor Abraham geheimhouden wat ik van plan ben?” (Genesis 18,17) God behandelt Mozes als vriend: “De HEERE sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals een man met zijn vriend.” (Exodus 33,1 Herziene Statenvertaling) Dat resoneert in Jezus’ woorden: “Mijn gebod is dat jullie elkaar liefhebben zoals ik jullie heb liefgehad. Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden. Jullie zijn mijn vrienden wanneer je doet wat ik zeg. Ik noem jullie geen slaven meer, want een slaaf weet niet wat zijn meester doet; vrienden noem ik jullie, omdat ik alles wat ik van de Vader heb gehoord, aan jullie bekendgemaakt heb.” (Johannes 15,12-15) Zit in al deze voorbeelden niet iets heel Volwassens? Goed geïnformeerd worden door God. Je hebt de vrijheid om met die informatie iets moois te maken. Geef je Vrije Kind de ruimte. Dien waar je kan. Geloof in het geheel: dat kan opvangen als jij als onderdeel een keer zegt: genoeg is genoeg. Ik blijf verwonderd kijken naar de Heer: “Gelukkig de knechten die de heer bij zijn komst wakend aantreft,” zegt Hij, “Ik verzeker jullie: hij zal zijn gordel omdoen, hen aan tafel nodigen en hen bedienen.” (Lukas 12,37).

 

De hoofdpersoon uit Het Paradijs komt van ver: Ik ben niet-OK, jij (God en medemens) bent niet-OK. Hij nadert aan het slot het genadige Ik ben OK. Zijn pleegdochter komt afscheid nemen bij zijn sterfbed. “Ook ik was aangedaan, want ik heb veel van haar gehouden. Het ontroerde mij dat er iemand was die mij zou missen.” (303) en “Wat achter mij ligt kan ik loslaten. Ik heb ermee afgerekend.” (309). En God is ook OK: “Hij hield mij vast toen ik Hem haatte…” (311)

 

Naar aanleiding van: Jan Overduin, Het Paradijs. Kampen: De Groot Goudriaan, 1999. De eerste druk van de roman verscheen in 1953.

 

Ian Stewart & Vann Joines, Transactionele Analyse: Het Handboek voor persoonlijk en professioneel gebruik.7 Amsterdam: SWP, 2008. (Oorspronkelijke titel: TA Today: A New Introduction to Transactional Analysis. Nottingham: Lifespace Publishing, 1987, vertaald door Maarten J. Stoffel, Karen van der Zee en Jan W. Boshuizen).

 

Ik ben o.k., jij bent o.k. van Thomas A. Harris werd in de jaren zestig en zeventig als populair-wetenschappelijke uitgave over deze psychologische benadering vele malen herdrukt door Amboboeken, Baarn.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *