Hoogmoed komt ten val

Ik heb Slangenkoers van Bernard du Boucheron (vertaald uit het Frans: Court Serpent) herlezen. Ik weet niet meer waarom ik destijds de roman kocht, maar ik heb er geen spijt van. Het boek doorstaat de herlezing met glans. Wat ik vergeten was, komt treffend terug, wat ik nog wist bleef op niveau. Het is een barre horrorstory over een abt in de late middeleeuwen. Hij wordt naar Nieuw Thule gestuurd, een onherbergzaam noordelijk oord (Groenland?), waar christenen al lange tijd geen geestelijke leider meer hebben gehad. De geruchten van afval en ontaarding brengen kardinaal Johan Einar Sokkason van Nidaros ertoe om abt Insulo Montanus met een schip naar de dwalende kudde te sturen. De opdracht die hij mee krijgt liegt er al niet om: “… om in die uithoek van de wereld na te gaan hoe het er met de christelijke bevolking voor staat, er de troost van het woord te brengen zonder te verzuimen zonodig te vuur en te zwaard voor herstel te zorgen.” (9). Het verslag laat vooral ‘vuur en zwaard’ zien, de ‘troost van het woord’ zoek je vergeefs. Montanus treft er bij aankomst een priester aan, volstrekt gedegenereerd, die samenleeft met een ‘nauwelijks geslachtsrijp pariameisje’, een jonge heks aldus Montanus. “Ik besloot meteen ze allebei door vuur te laten omkomen, hem wegens ketterij, geloofsverzaking, ontwijding van de sacramenten en sodomie; en haar wegens vuil gewin verkregen door hekserij. Ik beschouwde deze tweevoudige foltering als een tweevoudige weldaad, ten eerste omdat ik het, door met onmiddellijk streng optreden mijn gezag te vestigen, overbodig maakte in de toekomst nog strenger te moeten optreden; en ten tweede omdat ik zo de zonden van de veroordeelden bestrafte.” (51). Er volgen in zijn verslag maatregelen die deze als zeer gematigd doen voorkomen.

 

De roman is opgebouwd met perspectiefwisselingen en ik probeer te snappen wat dat toevoegt aan de waarde van het verhaal. Het verhaal opent (hoofdstuk 1) met een personele verteller, een paar zinnen in cursief gedrukt. “Hij knielde niet neer. Ook kuste hij de ring niet.” (7). De verteller meldt verder dat Montanus, onder de indruk van het gewicht van de opdracht, de instructies op papier in ontvangst neemt. Dan volgt, niet cursief, de tekst van de instructie. Hoofdstuk 2 biedt het eerste deel van het ‘Verslag van de zeereis van I. Montanus en zijn metgezellen’. Dan keert de verteller terug, hoofdstuk 3, weer in cursief gedrukt. De kapitein van het schip gaat op een missie om voedsel te zoeken, terwijl de abt in de nederzetting achterblijft. We hebben de verteller nodig omdat de abt niet zelf meereisde. Vervolgens gaat het verslag van Montanus verder. Hij vertelt vanaf de terugkeer van de kapitein tot de schokkende lotgevallen van de nonnen van Sint-Benedictus (hoofdstuk 4). Het volgende hoofdstuk opent zo: “…Aangezien ik op de leerschool van Uwe Eminentie altijd vriendschap voelde voor verklikkers,” (102). De suggestie wordt gewekt dat wij een deel missen en ergens in het vervolg van het verslag terecht gekomen zijn. Dit is het eerste van enkele kortere hoofdstukken (5-9) die het verslag afronden. Hoofdstuk 10 is ten slotte weer cursief gedrukt, zo krijgt de alwetende verteller het laatste woord. In net drie bladzijden resumeert hij het slot van het verslag (hoofdstuk 9). Wij, lezers, merken dat er ook een andere weergave van de gang van zaken mogelijk is, als die geboden wordt door Montanus. Dat is met name van belang omdat het verhaal uitloopt op de ongemakkelijke situatie dat Montanus zelf een kind heeft gekregen bij een pariameisje. In zijn verslag probeert hij zijn handelen in een gunstig daglicht te stellen. Als lezer heb je dan al het idee dat er ook een andere kant aan het verhaal zit. Het slothoofdstuk dringt je ertoe dat te beseffen.

 

Hoogmoed komt ten val. Montanus heeft gefaald in Nieuw Thule. Hij wordt weggejaagd door de boze meute en hij heeft zich niets beter gedragen dan de mensen die hij de weg van de Heer moest wijzen. En dan wordt het van belang om terug te keren naar de opening van de verteller: “Hij knielde niet neer. Ook kust hij de ring niet.” Twee gebaren die de ondergeschiktheid van een abt aan de kardinaal tonen. Montanus voelt zich er blijkbaar te goed voor. De kardinaal vergist zich in de opsomming van de kwaliteiten van deze abt (en het systeem dat deze kardinaal vertegenwoordigt deugt ook niet in de roman). Zo komt hoogmoed ten val. Een wijsheid uit de heilige geschriften van de kerk (1 Korinte 10,12).

 

Naar aanleiding van: Bernard du Boucheron, Slangenkoers. Breda: De Geus, 2005.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *