Hindostaanse poëzie

De wind hijgt
op de ruiten

 

buiten
regen
natte wegen

 

sputteren zacht
tegen autobanden

 

Holland
is zichtbaar
vanuit het gat

 

waar ik overleef

 

ganglicht uitgebrand
in de zitkamer
vlamt de kachel
lief en leed op video
kinderrumoer stijgt
mij naar het hoofd

 

de ziel
is leeg

 

leeg

 

Raj Ramdas, Kahán hai u Waar is zij, 17

 

Taal leeft. Een taal kan sterven, zich aanpassen, woorden overnemen, standaard worden. Taal hoort bij mensen en mensen kunnen een taal helpen. Zo is er al jaren een beweging bezig om het Sarnami in leven te houden. Sarnami is de taal van de Surinaamse Hindostanen. Maar zowel in Suriname als in Nederland dreigt deze taal te verdwijnen ten gunste van het Nederlands en het Sranan Tongo. Vandaar dat een dichtbundel in het Sarnami meer is dan een alledaagse verschijning. Het is een daad.

 

Raj Ramdas schreef zijn gedichten oorspronkelijk in het Sarnami. De Hindostaanse dichteres Chitra Gajadin verzorgde de vertaling in het Nederlands. Het is een goed idee geweest om een cd in te sluiten waarop de lezer de Sarnami-gedichten kan horen voorlezen. Zo komen in het algemeen gedichten goed tot hun recht, maar nu wel in het bijzonder. Nu kan ook zonder de kennis van deze taal een aantal elementen van de Sarnami gedichten worden geproefd: klank, rijm, zinslengte, strofe.

 

Door de Nederlandse vertaling is de bundel ook verder interessant. Je kunt het zien als een voorbeeld van migrantenpoëzie. Dan verbaast het niet dat we een krachtig thema als vervreemding tegenkomen. Dat heeft Ramdas gemeen van Marokkaanse of Iraanse dichters, die in Nederland wonen en werken (Mustafa Stitou, Fouad Laroui, Al Galidi). Ik merk bij Ramdas geen heftig engagement op. Holland is regen en daar in voelt hij zich vooral zelf leeg (zie het gedicht hierboven). Woorden als ‘kachel’ en ‘video’ staan als zwerfstenen onveranderd in het Sarnami.

 

Ramdas’ bundel is ook een wapenfeit binnen de Hindostaanse poëzie. Surinaamse Hindostaanse dichters zijn er niet veel en zij hebben vrijwel geen publiek. In navolging en bijvoorbeeld Jit Narain en Cándani heeft Ramdas een daad gesteld door in het Sarnami te dichten. Samen met Shrinivasi, Chitra Gajadin, Rabin Gangadin en nog een paar anderen vormt hij de kleine groep dichters uit die kring die ook in Nederland publiek zoeken. Binnen deze groep moet Ramdas het hebben van zijn thema’s, niet van woordgebruik. Omdat hij kiest voor korte zinnen, die vrijwel zonder interpunctie met elkaar verbonden worden, laat hij veel over aan de invoegingen van de lezer. Hij vraagt ook geen aandacht door veel nieuwe woorden of woordcombinatie. Misschien is ‘zielestro’ (27) daarvan een voorbeeld, maar veel meer zijn er niet. Wel koos hij ervoor (samen met de vertaalster?) om bepaalde Sarnamiwoorden onvertaald te laten, zonder een woordenlijst op te nemen achterin. Dat is jammer. Ik lees over Lanka, padischuur, nagárá, Kausilia, manjaboom, khicari van Birbal: ik ken een aantal van deze woorden vanwege mijn betrokkenheid met Surinamers; ik kan het opzoeken in woordenboeken, maar dat kan niet iedere lezer. Dat creëert afstand tussen gedicht en lezer. Zo verklein je je eigen publiek.

 

Komt het op de thema’s aan, dan lees ik vooral over vervreemding, onbegrip, leegte. Veel treurigheid, weinig hoop. De ‘ik’ in de gedichten zoekt contact, maar krijgt het weinig. Dat slaat naar binnen: is er schuld (29 en 33)? Vergelding uit een vorig leven (21)? Zelfs de neiging tot zelfdoding komt ter sprake:

 

laat het mes
mijn polsen kerven
misschien begrijpt de wereld
op een dag
de deugd van zelfdoding (31)

 

Zie dat niet als overdrijving. In de Hindostaanse gemeenschap komt het voor bij meisjes, die ten einde raad zijn door relatiemoeilijkheden. Mannen die vanwege schaamte geen hulp willen zoeken in problemen, maar de ‘eer’ aan zichzelf houden. Ramdas zoekt in veel gedichten naar de wegen tot contact. Hij klopt op de wanden van zijn netwerk in de hoop op begrip. Steeds ontmoet hij daarbij de grote vijand: de tijd, die de jeugd tot herinnering heeft gemaakt en herinneringen besmet doorgeeft. De tijd als de grote vergeler:

 

hoe de glanzende foto
van onze liefde
wie weet in welke lade
langzaam verbleekt (29).

 

Het kleine lichtpuntje is de liefde. In een mooi gedicht gewijd aan een oud mens (vader? moeder?) lezen wij over de tijd die alle glans verdroogt, maar het eindigt met: ik heb jou liefgehad, altijd (45).

 

Dat is niet niets, die liefde. Maar als christen-lezer valt mij de grote afwezigheid op van het geloof, dat steun geeft. Ik verwacht geen pastorale poëzie. Het kan mij niet rauw genoeg zijn als het gaat om de ellende in het leven. Maar soms proef ik dat de Hindostaan de werkelijkheid als een mix van hemel en hel ziet waar de goden niet buiten of boven staan, maar net zo gemengd van heil en onheil in mee doen.

 

Dit leven willekeurig gestikt en gezoomd
wie begrijpt mag het uitleggen
hemel en hel nauw verwant
welt in elke lach een traan (37)

 

In bepaalde krachtige stromingen van het Hindoeïsme vervloeien heil en onheil, goed en kwaad uiteindelijk in de ene bron van het leven. Dat verhindert menig hindoe om te komen tot een profetische kritiek vanuit de rechtvaardigheid van God. Dat verklaart dan ook dat zij eerder berusten in dan opponeren tegen kwaad en leed. Dat is bitter, vind ik. De bundel van Ramdas nodigt de lezers zo uit tot zelfreflectie: wat is volgens jou de zin van het leven dat verglijdt?

 

Naar aanleiding van: Raj Ramdas, Kahán hai u Waar is zij. (Woord vooraf van Theo Damsteegt. Uit het Sarnami in het Nederlands vertaald door Chitra Gajadin). Rotterdam:  Maya, 2003.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *