Het boze woord

Jan Wolkers heeft eens welsprekend aangetoond hoezeer Marten Toonders verhalen doortrokken zijn van Bijbelse ingrediënten. Zo is ook het verhaal Het boze oog naadloos te verbinden aan Bijbelse levenswijsheid: “Vriendelijke woorden geven mensen kracht om te leven, maar boze woorden maken mensen kapot.” (Spreuken 15,4).

 

Olivier B. Bommel en zijn jonge vriend Tom Poes bezoeken Lammermoer aan de andere kant van de Zwarte Bergen. Zij hebben een korte vakantie genomen en gaan naar een landstreek waar zij niet bekend zijn. Toonder plaatst op deze manier het verhaal direct in de sfeer van vreemdelingen en autochtonen. “Onbekende streken kunnen interessant zijn,” denkt Tom Poes (10).
Nou, dat is nog maar zeer de vraag.

 

De schapen in het dorp Ooikooi zijn heidetelers. Conservatief als zij zijn moeten zij niets hebben van onrust en nieuwigheden. Maar ook onderling botert het niet tussen de schapen. Wie gaat de rechte weg, wie de kromme? Het is het gesprek van de dag. Onverwachte gebeurtenissen en natuurlijke processen worden toegeschreven aan de krachten van goed en kwaad. Het kwaad heeft iets te maken met het boze oog. “Die zwarte daar heeft het boze oog!” verklaarde Amram fluisterend. “Hij en zijn familie! Alles waarop zij hun blik laten vallen wordt door het onheil getroffen; daarom is de streek vol kommer en zwarigheid.” (12).

 

Het is werkelijk geen onwaarschijnlijk verzinsel van Marten Toonder. Antropologen hebben niet heel veel tijd nodig om in samenlevingen dergelijke gedachten aan te treffen. Vooral kinderen, zwangeren en dieren zijn gevoelig voor het boze oog. Amuletten worden ingezet om bescherming te bieden. Om het boze oog te weren maken Aziatische kinderen soms hun gezicht zwart, vooral rond de ogen. Maar Toonder zou Toonder niet zijn als hij ons niet verder brengt dan dit. Tom Poes ontdekt waar het boze oog vandaan komt:

 

“Zo,” prevelde hij.  “Het boze oog wordt veroorzaakt door de zwarte tong! En pas als de zwarte tong gespoeld wordt met een aftreksel van puimkruid is het machteloos. Dat staat hier, maar ik begrijp niet, hoe je goede ogen kan krijgen, wanneer je je mond spoelt.” (44).

 

Dit is treffend gedaan, nietwaar? Probeer de bron van het kwaad te vinden. Jakobus (de broer van Jezus) kende ook  al het gevaar van de tong: “De slechtheid van onze tong maakt ons hele lichaam slecht. Het hele leven wordt erdoor verwoest.” (Jakobus 3,6).
Heb je de bron, dan heb je ook de weg naar de oplossing. De schapen moeten hun mond spoelen. Zij staan op het punt weer iemand zwart te maken: Abel, de zoon van Amram. Dat doen zij nadat hij op een kar publiek is rondgereden. Bij de herberg gaan zij vervolgens dopdroesem drinken en het slachtoffer onderdompelen in zwartsel.

 

De beeldspraak is voortreffelijk: zo werkt roddelen. Drank helpt daarbij geweldig. Tom Poes weet echter de inhoud van het vat te verwisselen. Zo drinken de schapen, zonder dat zij het weten, aftreksel van puimkruid: “Zij ledigden hun glazen; keken bevangen van Abel naar diens vader, schuifelden met hun voeten en begonnen toen stilletjes af te trekken, onder het mompelen van een korte groet.” (59).
En zo lijkt ook dit Bommelverhaal weer goed af te lopen. Het kwaad is gesignaleerd, de rede heeft geholpen om de goede maatregelen te nemen. Wie de mens het goede aanleert, brengt de vrede naderbij.

 

Toch niet. Toonder weet beter. Het einde van het verhaal is dat Heer Bommel en Tom Poes de landstreek Lammermoer schielijk moeten verlaten. Was alle ellende niet begonnen toen zij als vreemdelingen het schapendorp binnenkwamen? “Puimkruid helpt maar voor een korte tijd, en wanneer de tong weer duister wordt brengt hij onheil over hem die anders is.” (62).

Zo verdwijnen onze helden in de Oude Schicht naar de horizon. Want zij zijn anders. Men heeft hen daar in Lammermoer nooit meer teruggezien.
Marten Toonder had een vooruitziende blik en een buitengewoon realistische inschatting van de mensheid.

 

Naar aanleiding van: Marten Toonder, Als je begrijpt wat ik bedoel: Het boze oog, De grauwe grazer, Het kukel, met een uitleiding van Jan Hein Donner.13 Amsterdam: De Bezige Bij, 1982. (Het verhaal verscheen voor het eerst als feuilleton in het najaar 1961).

Voor het artikel van Jan Wolkers, klik hier.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *