Herinneringen loslaten

Het is moeilijk kiezen: waarover zal ik schrijven? Deze blog over de nieuwste roman van Patrick Modiano kan over de fraaie sfeertekening gaan en of over de filosofische lading van de zomer. Ik kan schrijven over de herinnering en over de eeuwige tegenwoordige tijd. Ik voel me als een toerist, voor het eerst in Rome: teveel mooie dingen, rustig blijven nu. Kies één onderwerp. Ik ga het vooral hebben over het uitvinden van jezelf. Door te schrijven. Ik ben begonnen aan de volgende blog, weer een stuk tekst die me verder zal brengen. Ik vind het heel bijzonder hoe herkenbaar Modiano voor me is. Terwijl ik hem eigenlijk nauwelijks ken.

 

Ik schreef eerder over In het café van de verloren jeugd. Intussen heb ik de lijst van zijn publicaties gezien. Er ligt nog voor tijden werk. Maar waarom zou ik, vraag ik me af na het lezen van Onzichtbare inkt? “ik ben bang dat het leven, wanneer je eenmaal een antwoord op alle vragen hebt, achter je dichtvalt als een val, met het gerinkel van de sleutels van een gevangeniscel. Zouden we niet liever een paar onbetreden zones in stand houden, waarin je altijd nog kunt ontsnappen?” (103)

 

Jan Eyben werkt die jaren zestig op proef bij een detectivebureau in Parijs. Hij krijgt de opdracht om onderzoek te doen naar een vermiste vrouw, Noëlle Lefebvre. Hij gaat gelegenheden af waar zij geweest kan zijn, zoekt mensen op en interviewt hen. Hij vindt een klein dagboekje. Even denk je dat wij al lezend deze onbekende vrouw gaan leren kennen. Maar de roman is het boek van de ik-figuur. Een en andermaal wijst hij ons erop dat wij in zijn verslag zitten te lezen: “Vandaag begin ik aan de eenenzestigste bladzijde van dit boek…” lezen we op p.61. Op p.102: “Dit onderzoek wekt misschien de indruk dat ik er veel tijd aan heb besteed – al meer dan honderd pagina’s – maar dat is niet zo.”

 

Zo is Jan Eyben al schrijvend vooral met zichzelf bezig. Herinneringen aan Noëlle zijn herinneringen aan zichzelf en al schrijvend komen die boven. Wie ze vinden wil moet ze niet dwingen, maar gewoon gaan schrijven zonder doorhalingen. “En dan zijn er altijd een paar details die je om een of andere reden had vergeten of verdrongen en die, in die ononderbroken stroom van woorden en zinnen, allengs uit de diepten van je geheugen naar de oppervlakte stijgen.” (75) De vraag is dus waarom Jan eigenlijk zo in Noëlle geïnteresseerd was.

De roman is het verslag van de zoektocht jaren later. Hoe betrouwbaar is zijn geheugen eigenlijk? Schitterend is hoe hij soms de leugen tot waarheid ziet worden en de droom werkelijkheid. Hij vertelt aan iemand (om die ander informatie te ontfutselen) dat hij Noëlle een aantal keren ontmoette in een café aan de boulevard des Capucines. (24) Later zit hij er weer en denkt eraan terug: “En terwijl ik zat te wachten, vroeg ik me af of het wel een leugen is geweest.” (66) Eén van de verkoopsters van Lancel (waar Noëlle kort heeft gewerkt) loopt een stukje met hem op, in vrij stevige pas: “Het zou gemakkelijker en veiliger zijn geweest als ik haar een arm had gegeven, maar dat zou ze waarschijnlijk ongepast hebben gevonden.” (67) Even later geeft zij hém een arm. (70) Het leven is onbeschrijflijk toevallig en elke beschrijving is een selectie met een belang. De gevangenis waarvan je je afvraagt waarom je die wil maken voor jezelf. Voorin het boek staat een motto (van de voor mij verder onbekende Maurice Blanchot): “Wie zich iets wil herinneren dient zich over te geven aan de vergetelheid aan het risico dat absolute vergetelheid met zich meebrengt en aan het gelukkige toeval dat de herinnering dan is geworden.” De roman biedt precies dat.

 

En nog veel meer. Want vanaf p.112 gaat de roman over in de derde persoon, geschreven door een alwetende verteller. Noëlle woont in Rome en ontmoet een man. Een Fransman die haar galerie binnenkomt ‘…alsof hij in het diepe sprong.’ (113) Zij lijkt hem te kennen. Of toch niet? Misschien als ze hem morgen weer ontmoet. “Morgen zou zij als eerste beginnen te praten. Ze zou hem alles uitleggen.” (142)

 

Zo, weer een blog klaar.

 

Naar aanleiding van: Patrick Modiano, Onzichtbare inkt. Amsterdam/Antwerpen: Querido, 2020. Oorspronkelijke titel Encre sympathique, uitgegeven bij Gallimard, Parijs, 2019. Vertaald door Maarten Elzinga.

 

 

Modiano laat Jan Eyben iets zeggen dat me op onderzoek deed gaan: “Nooit eerder had Parijs me zo vriendelijk en zo vertrouwd geleken, nooit was ik zo diep doorgedrongen in het hart van de zomer, dat seizoen dat door een filosoof wiens naam ik ben vergeten met metafysische jaargetijde werd genoemd.” (6, zie ook 139-140 over zomerbus en winterbus). Wie zou die filosoof zijn? Ik dacht ineens aan Ton Lemaire en zijn boek Met open zinnen: Natuur, landschap, aarde uit 2002. Ik kwam uit bij deze passage: “Wat betreft de volle zomer moet ik misschien verschil maken tussen onbewolkte, heldere en niet al te hete dagen (zoals ze ook  in de nazomer of vroege herfst kunnen voorkomen) en de grote hitte van de hondsdagen. In het eerste geval lijkt het aardse leven een zekere perfectie te tonen en een harmonie te suggereren tussen ons en de wereld. We kunnen ons sereen, kalm en vol vreugde voelen. Het is trouwens interessant om te weten dat in het Latijn het woord ‘serenus’ primair de heldere, onbewolkte hemel aanduidt en pas secundair slaat op de menselijke gemoedsgesteldheid die door een dergelijke heldere hemel wordt opgeroepen. Net als in het Duitse ‘heiter’ en ‘Heiterkeit’ – met ongeveer dezelfde betekenis –  wordt dus met een en hetzelfde begrip een aspect van de buitenwereld en een gevoelstoestand van onszelf weergegeven.” (35)

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *