Eerste sneeuw

Een jongen van zeventien jaar wordt door een mooie rijpe vrouw van twee keer zijn leeftijd ingewijd in de liefde. Daar droom je toch van? Ik kan er nóg inkomen, al ben ik intussen drie keer zo oud. Het romantisch verlangen van de puber die ik was, kwam soepel aan de oppervlakte alsof het nog maar net was ondergedoken.

 

Het was heerlijk om De eerste sneeuw van het jaar van Hubert Lampo te herlezen. Kort na verschijnen in 1985 heb ik de roman voor het eerst gelezen. Sindsdien is voor mij ‘de eerste sneeuw van het jaar…’ een ontroerende mantra geworden, als er geen sneeuw is, maar áls het een keer sneeuwt in de winter… dan prevel ik het met een glimlach. Een warme gloed door mijn binnenste. Nadat ik laatst de novelle De madonna van Nedermunster had herlezen, kon ik het niet laten ook De eerste sneeuw van het jaar op te snorren. Gretig las ik opnieuw het verhaal van gymnasiast Hans Verstraten en zijn lerares Grieks Jolande Verlinden, over Von Stroheim en Dewolf, over de SS-er en de vader van Hans. Het is niet te geloven, zo heerlijk als deze zijn zoon steunt in een relatie die alle kans heeft te ontsporen.

 

Ik was de nare afloop wat vergeten. “Ik zag niet dat haar mooie jurk (die zij had aangetrokken om met mij mee te gaan) gedeeltelijk aan flarden was gescheurd. Dat haar gezicht vol teervlekken zat. Dat haar gordeltje, haar broekje en haar kousen op haar voeten waren gezakt, wat haar deed strompelen als een kreupele, tot groot jolijt van de wilde troep die haar met agressief gebrul begroette.” (309). Als een moffenhoer wordt ze afgetuigd en Hans weet dat hij haar daarna nooit meer zal terug zien.

 

Het valt me na al die jaren nog moeilijk de zwakke kanten van de roman te noemen. Het moet gezegd: de hele epiloog had achterwege moeten blijven. Het is niet te harden dat Krisje, de dochter van Jolande, op latere leeftijd aan Hans gekoppeld wordt door de zoon van Hans en de dochter van Krisje. Ik wil best met Lampo geloven dat er ‘ondergrondse samenhang’ is in het leven (8), maar dit is echt te veel van het goede.

 

En dan de sneeuw. “Het is jammer, maar in Lampo’s boek sneeuwt het net één keer te veel,” schreef Koen Vermeiren direct bij publicatie in Dietsche Warande en Belfort, en ik moet hem gelijk geven. Ik snap dat het weer, een geur of een aanblik je ineens in contact kan brengen met vergeten geluk of verdriet. Ik weet niet precies hoe het werkt, maar blijkbaar is er niet zo gauw iets echt weg. Wij hebben kelders en zolders vol herinneringen die op onverwachte momenten acte de présence geven. Het is de charme en de horreur van dit ondermaanse en ik weet nu al dat ik nog meer van Lampo zal gaan lezen. Wat kan hij het goed dichtbij brengen. Maar in deze roman ligt de sneeuw er soms te dik op (169, 194, 296, 312, 322).

 

Zo heb ik nog wel het een en ander, maar ik mag niet in mineur eindigen. Dat verbied ik mijzelf. Daarom, lees mee. Krisje woont in de oorlog bij oom Vincent en tante Clara in Heist op de Berg en Jolande en Hans gaan haar op een zaterdag bezoeken. Zij nemen de trein en daarna de tram:

 

“De tram was overvol en de bank achterin waarmee wij ons dienden te behelpen viel behoorlijk smal uit voor twee personen. Wij konden niet anders dan zo dicht tegen elkaar aangedrukt zitten dat ik door haar mantel heen haar lichaamswarmte meende te voelen. Hoewel ik het mij misschien alleen verbeeldde vond ik het een heerlijke gewaarwording die mij helemaal stil maakte. Haar lichaamswarmte. Het leek mij een betoverende gedachte, zonder dat mijn innerlijke rust erdoor werd aangetast. Haar lichaamswarmte, ik hoefde slechts wat sterker door te denken om mij, daar was ik zeker van, allerhande paradijselijke beelden voor de geest te roepen, al wist ik ternauwernood iets van vrouwen af, niet meer dan ik ooit eens in het museum of op het strand aan zee had gezien. Ik dacht er echter niet verder over na omdat ik mij heerlijk voelde, geheel in beslag genomen door de zweverige sfeer die mij vervulde, zonder mij de aanblik van haar ongetwijfeld verrukkelijke lichaam waarvan ik de warmte tegen de mijne voelde, nadrukkelijk te willen voorstellen.” (176).

 

Echt, hier smelt ik bij.

 

Naar aanleiding van: Hubert Lampo, De eerste sneeuw van het jaar.3 Amsterdam: Meulenhoff, 1986 (de eerste druk verscheen in 1985).

Het artikel van Koen Vermeiren lees je hier.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *