Dooraderderde oortjes

Verschijnt er boven je duinpan een wouw.
Zijn vingers houdt hij gespreid.
Wetend als een vlieger, nergens een draad.

 

En jij met je geloof in je kunst,
je eenvouds dooraderderde oortjes,
je spitsmuisgeritsel onder het helmgras,
het versvoetgeroffel van je madurohart.

 

In hoe je wegduikt zien bloemlezers Erbarme Dich.

 

Willem Jan Otten, Welkom, 64

 

Een klein muisje in een duinpad, even uit de beschutting, om te foerageren? Het beestje is een prooidier. De roofvogel hangt boven de duinpan. Ook het roofdier wil eten. De wouw heeft vingerachtige uiteinden van de vleugels. Gespreid betekent dat hij een zo groot mogelijk gebied wil bestrijken, zo ver als de vingers gaan. Hij hangt in de lucht als een vlieger. Zonder draad. Maar de eerste opvallende woordkeus is daar: ‘wetend’ als een vlieger. Wat weet hij: dat die muis daar zit in zijn duinpan?

 

‘En jij met je geloof in je kunst…’, Je praat tegen jezelf, monologue interieure, relativerend. Je denkt wat je zijn. Maar je stelt niet zoveel voor. Misschien ben ik ook zo’n ‘je’. Wij mensen hebben dat, zo’n geloof in je vaardigheden om aan je bedreigingen te ontsnappen. De beschrijving van de kwetsbaarheid van het muisje klinkt loepzuiver in de tweede regel van de tweede strofe. ‘je eenvouds dooraderderde oortjes’. Die vrij grote oren van de spitsmuis, dun, zodat je de kleine aderen ziet lopen. Toen ik het gedicht overtypte, schreef ik eerst: ‘dooraderde’, wat volgens mij een goed Nederlands woord is. Maar bij zorgvuldig lezen stond er ‘dooraderderde’ en eerlijk, dat maakt het beeld des te sterker.

 

Kunst heeft met muziek te maken en dat zal uitlopen op de titel van de aria van Bach. Helmgras heeft weer een verwijzing naar de dreiging van boven, de wouw. Het geritsel en geroffel wijst op geluid, maar past helemaal bij de muis die vluchten moet, het hart dat slaat. Maduro, Madurodam, de kunststad van het kleine. En dat alles in die relativerende toon. Jij denkt dat je met deze kunst de grote hoge wouw kunt ontgaan. De wouw weet beter.

 

En dan in de derde strofe de bloemlezers. De derde partner, de buitenstaanders die toekijken. Zij komen voor bloemen. Maar zij treffen de spanning aan, tussen wouw en muis. De bloemlezer schat direct de situatie in. Ach, dat weg duiken. Dat is toch een smeekbede aan de wouw. Vreet me niet op! Dat is wat een mens wil zeggen die instemt met ‘Erbarme dich!’
Maar dat maakt God dus als een wouw.
Dat is nogal wat.

 

Naar aanleiding van: Willem Jan Otten, Welkom. Gedichten 2003-2008. Amsterdam: Van Oorschot, 2008

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *