De wereld meten

Alexander von Humboldt, ik kende hem niet. Dat was ook zo gebleven als ik van mijn goede zwager niet het boek van Andrea Wulf als cadeau had gekregen. Het ligt deze zomer van 2020 in grote stapels in de boekhandels. De Nederlandse vertaling van het oorspronkelijk Engelstalige boek uit 2015 doet het goed. Ik snap het, Alexander van Humboldt heeft een waarlijk avontuurlijk leven geleid. Ook is hij in zijn leven (1769-1859) onwaarschijnlijk populair geweest. Hij gold wereldwijd als de belangrijkste geleerde. Toch is hij niet in het rijtje iconische figuren als Copernicus, Galilei of Newton terecht gekomen – althans niet in mijn opleiding. Daar moest wat aan gedaan worden, vond Wulf. “Met dit boek heb ik gepoogd Humboldt te herontdekken en hem zijn rechtmatige plaats in de eregalerij van natuurwetenschappers terug te bezorgen.” Zij voegt eraan toe: “Het is ook de uitkomst van mijn zoektocht naar de oorsprong van de huidige denkbeelden over onze natuurlijke omgeving.” (29, proloog)

 

Andrea Wulf laat zien hoe de wereldreizen van deze energieke Duitser hem brachten tot visioenen die nu nog circuleren. De wereld is een netwerk, de verschillende soorten van leven zijn van elkaar afhankelijk, over de hele wereld liggen verbanden. Alleen als wij het in een groot geheel beschouwen krijgen wij inzicht. Von Humboldt deed dat inzicht voor het eerst op bij de beklimming van een berg in Zuid-Amerika, in het huidige Ecuador. “Tegen het einde van zijn leven sprak hij er vaak over dat je de natuur alleen kon begrijpen vanuit een hoger ‘standpunt’, vanwaar de verbindingen ook werkelijk zichtbaar waren. Het was hier, op de Chimborazo, dat hij dat voor het eerste besefte. In ‘één oogopslag’ overzag hij de hele natuur.” (122, zie ook 215, 221, 323, 413)

 

Je kan het leven van deze wonderlijke man ook anders tot je nemen. Lees dan de roman van Daniel Kehlmann. Terwijl ik bezig was met Wulf herinnerde ik mij dat ik de naam van Humboldt toch eerder was tegengekomen. In 2013 bood dagblad Trouw een serie van tien romans aan en een daarvan was Het meten van de wereld van de Duitse jonge romanschrijver Daniel Kehlmann (* 1975). Ik moest er erg om lachen. Naast Von Humboldt trakteert hij ons op nog een wonderlijk man, Carl Friedrich Gauss (1777-1855). Een briljant wiskundige. Beiden wilden de wereld opmeten, maar de een trok er op uit terwijl de ander het gewoon denkend aan tafel wilde doen, met pen en een blad papier voor zich. De twee hebben elkaar ontmoet in 1828 en Kehlmann laat ons met humor zien hoe wereldvreemd deze mannen in de werkelijkheid van toen stonden. Grootheid kan worden bewonderd maar het maakt je niet minder eenzaam.

Toch is ook Kehlmann zich bewust van enkele grote vragen die bij de inzet van deze mannen te stellen zijn. Aan het slot volgen we Eugen, de zwaar miskende, zelfs vernederde zoon van Gauss. Hij is Duitsland uitgezet en arriveert in Tenerife. “Een autochtoon met poncho en wollen muts bleef staan, wees ernaar en riep iets in het Spaans, wees naar de grond, wees omhoog, weer naar de grond. Een duizendpoot met ongewoon lange voelhorens klom tegen Eugens broekspijp op. Hij keek om zich heen. Zoveel nieuwe planten. Hij vroeg zich af hoe ze allemaal zouden heten. Anderzijds – wie interesseerde het! Het waren maar namen.” (287)

 

Is dat zo? Zijn het maar namen? Adam gaf de dieren namen. Het is een vorm van erkenning, maar ook beheersing. En als we gaan groeperen, zitten we altijd met een paar exemplaren die niet in onze overzichten passen. Het vraagt een open mind en echte aandacht om dat wat niet past toch naar waarde te schatten. Onderzoek om te bewonderen is anders dan onderzoek om te controleren. De genderdiscussie is er ook een voorbeeld van: er zijn mensen die niet passen in het duale man-vrouwbeeld. Wie zijn zij dan wel? Alleen de ander zelf kan helpen om de goede taal te vinden.

 

In dat verband is het grappig dat over Von Humboldt werd gezegd dat hij misschien homoseksueel was. “Tijdgenoten schreven over Humboldts ‘gebrek aan ware liefde voor vrouwen’, en in een krantenartikel van later datum werd met het woord ‘bedgenoot’ gesuggereerd dat hij wellicht homoseksueel was,” lees ik bij Wulf. (116, zie ook 214) Ook Kehlmann komt er subtiel op terug. Als Alexander op hoge leeftijd nog eens met zijn oudere broer Wilhelm spreekt, laat Kehlmann hen terugkijken op het leven:

 

“Niemand, zei Humboldt, had een bestemming. Je nam alleen het besluit er een te simuleren, tot je er op een gegeven moment zelf in geloofde. Maar er was zoveel dat er niet bij paste, je moest jezelf ontzettend geweld aandoen.
De oudere leunde achterover en keek hem lang aan. Nog altijd de jongens?
Dat heb jij altijd geweten?
Altijd, zei de oudere.” (253)

 

Naar aanleiding van: Daniel Kehlmann, Het meten van de wereld. (Nederlandse vertaling van Die Vermessung der Welt, vertaald door Jacq Vogelaar). Ook uitgegeven in de reeks Europese Literatuur van dagblad Trouw in 2013. Hierboven verwijs ik naar de paginering van deze Trouw-editie.

 

Andrea Wulf, De uitvinder van de natuur: Het avontuurlijke leven van Alexander von Humboldt.13 Amsterdam/Antwerpen: Atlas/Contact. 2020  Vertaald door Mariella Duindam en Fennie Steenhuis. Oorspronkelijke titel The Invention of Nature, 2015.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *