Conny Coll, mijn jeugdheld

Het boek is uit en het is gewoon jammer. Ik ben terug in de tijd geweest. Net als in mijn vroege pubertijd leefde ik in Texas en Arizona en volgde ik mijn held Conny Coll. Ik las de pockets met de schietende cowboy linksboven op de kaft. Ik verslond destijds het ene deel na het andere. Conny Coll schoot sneller dan iedereen in het Wilde Westen. Hij had een grote zwarte wolfshond bij zich en reed op een prachtig paard dat enorme snelheden kon bereiken. Op een goede dag, kort geleden, kwam ik op de antiquariatensite Boekwinkeltjes terecht en kon het niet laten. Ik bestelde Omnibus 1, met drie delen uit de serie van meer dan tachtig boekjes: Trixi, Marjou en Zeven dode heuvels. Ik begon direct en weer vond ik het machtig mooi. Mijn vrije kind leeft nog steeds.

 

Konrad Kölbl leefde van 1912 tot 1994. De in München geboren Duitser gebruikte voor de Nederlandse markt de naam Conrad Kobbe. Hij is goudsmit en journalist geweest en begon in de jaren vijftig met de westernserie. Het eerste deel, Trixi, verscheen in 1951. “In zijn beste periode lukte het Konrad Kölbl om twee boeken per maand te schrijven, te corrigeren en te publiceren,” lees ik op zijn wikipedia-pagina. Een respectabele productie. Nu ik de eerste drie delen weer herlas, is helder hoe hij zich richt op jong publiek. We komen de held voor het eerst tegen als hij dertien is. De wereld is vooral heel mannelijk en blijft overzichtelijk opgedeeld in goede en slechte mensen, waarbij de eersten de laatsten verjagen of naar de hel sturen. Het recht moet z’n loop vinden met goddelijk goedvinden.  Mens en dier en natuur kunnen in harmonie leven en de moderniteit wordt ten onrechte als ‘beschaving’ verkocht (denkt u nu ook aan Karl May?)

 

De opening van het eerste deel geeft direct het dilemma aan: is de jonge Conny wel geschikt voor het harde leven op de prairie? “De lange, slanke dertienjarige knaap had niet bijzonder opvallends. Misschien waren de handen wat fijner dan die van zijn, een kop groter en een jaar ouder zijnde broer Tom, hij was dan ook wat soepeler en minder luidruchtig in zijn bewegingen. Zoals dat goedgevormd lichaam zich voortbewoog, moest men onwillekeurig denken aan een jonge panter. Die, nog wat onervaren en aarzelend, zijn buit besloop. Maar overigens, neen, opvallen deed hij niet meer dan iedere jongen van zijn leeftijd met zijn deugden en ondeugden, zijn kracht en zijn zwakheden. Hij had een zachte, innemende stem en staalblauwe ogen. Een ding kon zijn vader Tom Coll, en zelfs ook zijn lieve moeder Ann niet bekoren. De jongen was een dromer, een nietsnut, zoals vader Tom meermalen zei. Het liefst zat hij de bij de put, midden op het rancherf en Tom Coll had dikwijls moeite zijn afkeer te onderdrukken als de knaap daar op de stenen putrand uren vermijmerde. Daar kon niets uitgroeien voor een streek als deze, waar kerels met een sterke wil en harde vuisten vastbesloten moest aanpakken als zij iets wilden bereiken.” (Trixi, 5)

 

We komen er snel achter: juist het Wilde Westen heeft een jongen als Conny Coll nodig om orde op zaken te houden. Er lopen boeven rond en in de taal van toen zijn dat: kletsmajoors, snijbonen, bengels, hooiossen, vlegels, drekmuilen en galgenbrokken, kleurrijke en volstrekt verdwenen taal uit een recent verleden. De schurken stelen en roven, onschuldigen worden belaagd en vernederd en Conny Coll neemt dan ongenadig wraak. Het eerste stel van wie de dood meemaken, is de Klaverbladbende die zijn paard omleggen. De kogel was weliswaar voor Conny bedoeld, maar zijn roodschimmel werd geraakt. “Conny Coll had tot dusver iedere menselijke vriend, die slachtoffer van een gemene moordaanslag werd, gewroken. Maar de Rooie was meer dan een toevallige vriend geweest en dus zou hij zeker gewroken worden. Bitter gewroken.”  (Trixi, 59) Later krijgt de jongeman enige legitimatie als hij de eerste special agent wordt van de Lange Rijders van overste Sinclair. Naast Conny komen we in de serie de G-mannen als Hall Steve, Neff Cillimm en Samuel Brady tegen. Elke sheriff krijgt bericht dat zij deze mannen moeten helpen als zij law and order komen herstellen. Conny is niet alleen meester op de colts, maar ook in het boksen. Hij is door de wildernis gevormd en bevriend geraakt met de Siouxstam van de Ogalala indianen.
Aan welke kant van de wet sta je?
Ik weet niet of ik dat als jongen van dertien als les uit de boeken oppikte. Maar het was wel een prima wereld om in je verbeelding in rond te rijden, op een prachtige zwarte hengst. Dat die Satan heette, dat maakte niet zoveel uit. Waarachtig, ik vind het nog steeds leuk.

 

Naar aanleiding van: Conrad Kobbe, Conny Coll Omnibus 1: Trixi, Marjou, Zeven Dode Heuvels. Rotterdam: Ridderhof,1975. (Oorspronkelijk in het Duits geschreven: Trixi, 1951, Marjou 1952, Sieben tote Hűgel, 1955). Klik hier voor een Duitstalige website over de auteur en zijn held. Van elke titel wordt een samenvatting gegeven.

 

 

Het derde deel in deze omnibus, Zeven dode heuvels, speelt in het voorjaar van 1906 in San Francisco. Op 18 april beleefde de stad een aardbeving, 7,8 op de schaal van Richter naar men inschat. Veel schade richtte de brand aan in de stad. Klik hier voor de wikipedia-pagina. Je vindt bijzonder filmmateriaal uit die tijd over de ravage in de stad.
In het Conny Colldeel is Abe Ruff de grote schurk die het moet afleggen tegen de held en zijn zwarte wolf. Het boek eindigt zo:

 

“Amadeo Giannini overleed in 1949 aan een ouderdomskwaal en bij zijn nagelaten papieren vond men als een der zorgvuldigst bewaarde stukken de eerste op papier van de nieuwe druk na de aardbeving uitgeschreven cheque, een cheque ter waarde van ruim tienduizend dollars en ondertekend met de naam Abe Ruff. Een naam die men in Frisco nog altijd niet uitspreekt als men de goede toon in acht wil nemen.
Alleen noemen grootvaders hem soms als zij hun kleinkinderen vertellen over de daden van Frisko-Jack en Old Death en Conny Coll, die in de dagen van de grote ramp voorkwamen, dat de schande een terreur der misdadigheid de nieuwe stad bespaard kon blijven. En het zijn de namen dezer mannen, die het onvergankelijkst bewaard blijven omdat zij leven in de volksverbeelding, die door de tijden heen zal blijven putten uit de onvergankelijke feiten der geschiedenis.” (Zeven dode heuvels, 476)

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *