Blijvende verbeelding

De Afsluitdijk gaat op de schop. Ik hoorde het op het nieuws. Een toplaag moet beter beschermen tegen overslaand water. De sluizen worden versterkt en nieuwe stormvloedkeringen moeten ons verder beveiligen. Want de zeespiegel stijgt en in de toekomst krijgen we vaker te maken met extreem weer. Ook stroomt er vanuit de binnenwateren steeds meer overtollig water het IJsselmeer in. Aldus Rijkswaterstaat.

 

Tijd om de Herinneringen van een bramzijgertje op te halen. Het is de titel van het boekenweekgeschenk van 1967, geschreven door Jan de Hartog. Het gaat over de tijd dat de Zuiderzee nog open was en de plannen voor de Afsluitdijk al gemaakt. Een eerste deel was klaar. Niet iedereen stond te juichen.

 

“Als de vissers van de Zuiderzee de rest van de dijk zouden laten doorgaan dan was het met hun broodwinning, hun schepen, hun dorpen en het zuivere geloof gedaan. Dan zouden de goddeloze filistijnen van Amsterdam, de hoer op de wateren, de overhand krijgen en de geest en de zeden van hun kinderen verderven. Er moest iets gedaan worden, zeiden de stemmen; wat er ook gebeurde, de vissers van de Zuiderzee moesten laten zien dat het hun ernst was, dat zij zich niet zouden laten knechten, dat zij hun levenswijze en het geloof hunner vaderen zouden verdedigen tot de laatste man, zoals de kinderen Israels dat hadden gedaan.” (72-73).

 

Jan de Hartog vertelt het verhaal van een jongen uit Oosterdam in 1923. Oosterdam is een verzonnen naam voor een vissersdorp gelegen aan de Zuiderzee, zoals Volendam, Urk of Bunschoten. De wet schreef voor dat een jongen pas mocht werken als hij veertien jaar oud was. Toch namen schippers van botters soms jongere jongens mee als aanvulling op de bemanning.

 

“Deze jongens zag je nooit; omdat zij onwettig waren werden zij schuilgehouden. Maar zij moesten bestaan, dat wisten wij zeker, want zij hadden een naam: ‘bramzijgertjes’, naar de nevelspiraaltjes die soms bij windstil weer uit het water omhoog kringelden om na enkele ogenblikken weer te verdwijnen, opgelost in de lucht.” (25).

 

Jan is een jongen die bij Moeder Bruijntjes woont, een onaardige weduwe. De moeder van Jan moet lang verpleegd worden en zijn vader is veel van huis. Jan wordt door een schipper meegenomen op een Oosterdamse botter. Alle dagen hard werken. Behalve op zondag. Dat is de dag van de Heer. Twee keer naar de kerk in een van de havensteden rond de Zuiderzee:

 

“Een groep bramzijgertjes uit Urk in de bank achter ons zongen een vies lied, heel snel, waarbij zij met de vuisten op de rand van hun bank de maat bonsden; tenslotte werden zij zo overmoedig dat een paar van hen katapults tevoorschijn haalden en met bruine bonen op de scheepmodelletjes gingen schieten, terwijl anderen op de bank dansten. Maar de vergelding kwam op hen neergesuisd met het zwiepen van een hengel. Het was de hondslager, aangesteld om huisdieren buiten de kerk te houden gedurende de dienst; hij was ongemerkt naar boven komen sluipen en ranselde er nu met zijn hengel op los tot de orde hersteld was. Toen het tijd was voor de collecte draaide hij zijn hengel om; aan de andere kant zat een zwart zakje. Daar moesten wij dan centen in stoppen die onze schippers ons gegeven hadden voor we ter kerke gingen, maar niemand deed het. Toen het zwarte zakje de hoek bereikte waar ik zat leek het een vuilnisvat: knopen, propjes papier, natte zuurtjes en fluimen vormden een kleverige massa die de hondslager er woedend uitschudde in het middenpad. Hij draaide zijn hengel weer om en begon er opnieuw op los te ranselen, in het wilde weg.” (79).

 

In 1932 is het zover. De Afsluitdijk sluit de Zuiderzee af. De Noordoostpolder wordt drooggelegd. Het boek eindigt met een hoofdstuk over Jan in de jaren zestig. Volwassen geworden bezoekt hij Schokland en andere plaatsen uit de tijd dat hij bramzijgertje was. Hij hoort kinderen vol verbeelding spreken over een geheimzinnig bos dat als vanzelf op het nieuwe land is ontstaan. In dat bos zou een hert leven, maar de ouderen hebben de kinderen duidelijk gemaakt dat er in deze omgeving geen herten zijn. Toch hebben de kinderen brood bij zich ‘voor als we het hert weer tegenkomen’.

 

“Toen ik door de opening in de dijk reed voelde ik mij niet langer oud en eenzaam, want ik wist dat er eigenlijk niets verloren was gegaan; alleen was een kinderzee veranderd in een kinderland.” (153).

 

Heerlijk: verbeelding laat zich niet indijken.

 

Naar aanleiding van: Jan de Hartog, Herinneringen van een bramzijgertje. Vereeniging ter bevordering van de belangen des boekhandels commissie voor de collectieve propaganda van het Nederlandse boek (Boekenweek 1967).

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *