Arts aller zielen

Ruben van Luijk publiceerde in 2009 zijn debuut, de roman Groen. Op het nationale boekenblog lees ik: “‘Groen’ is niet zomaar een roman, het is een autobiografie. Van A tot Z, van alpha tot omega. Stilistisch sterk en humorvol geschreven. “Dit boek is een exercitie in eerlijkheid. Een boek kost ontzettend veel tijd, in mijn geval zes jaar, en het leven is heel snel voorbij. Daarom wilde ik schrijven over wat essentieel voor mij is.”

 

Opletten dus. Normaal, als een roman in de ik-vorm is geschreven, weet je dat je niet alles aan de schrijver kan verbinden. Het is fictie. Maar na dit interview kan dat dus wel bij Groen. Autobiografie. Maar geldt dat nu ook voor de andere hoofdpersoon uit het boek? De studente die de liefde afwijst – zij heeft namelijk al een vriend –, is zij ook echt?

 

“Alles zal ik zeggen, niets zal ik verzwijgen: behalve haar naam. Niettemin was het haar naam die me het meest was opgevallen, die maandagavond dat ik haar voor het eerst ontmoette bij bijbelstudiegroep Bid & Werk. Ik werd meteen getroffen door haar ogen en haar lach en de mengeling van verlegenheid & intelligentie die daarin lag. Maar vooral dus door haar naam. Ze droeg namelijk dezelfde naam als mijn moeder.” (5).

 

Hij, de ik uit Groen, fotografeert graag en op een dag mag hij ook haar vastleggen. Hij is tevreden over het resultaat en spreekt dan hierover de lezer aan:

 

“… zeg nu zelf, beste lezer, sla het boek een moment dicht met uw vinger tussen de bladzijden en bestudeer de voorkaft eens goed; ziet u ook geen liefde in haar ogen?” (48).

 

Moet ik nu aannemen dat dit werkelijk de studente is waarop Ruben van Luijk in Rotterdam verliefd werd? Als dit zijn autobiografisch verhaal is, is zij dan net zo reëel als de ik/Ruben, of is zij dan toch fictie? Als het eerste het geval is, zou zij dan toestemming hebben gegeven om deze foto te gebruiken (of haar emails, 75, 125)?

 

Ik vraag maar. Het is namelijk een jongens-puberaal en tamelijk plat verhaal. Humor heeft het zeker, vaart bij wijle ook, maar het is tegelijk gewild en flauw (dat voortdurend gebruik van het &-teken bijvoorbeeld). Van veel respect voor meisjes en vrouwen getuigt het niet. Lees 128-163, en vraag je vervolgens ook af of het getuigt van veel zelfrespect.

 

Dat het verhaal op waarheid berust, kan ik overigens zelf bevestigen. In 1996 startten wij bij ons thuis in Rotterdam een gebedskring. Ik deed destijds mijn werk als missionair predikant onder culturele minderheden in het Rijnmondgebied. We voelden steeds sterker de behoefte aan een vast moment om God te danken en zijn hulp te vragen. Elke maandagavond zou het zijn. Vanaf half negen ’s avonds vulde zich onze woonkamer aan de Bergsingel: vijf, zeven, soms drie mensen. Toen we een naam zochten, stelde een van de aanwezigen voor: ‘Arts aller zielen”. Het was een treffend citaat uit lied 170 van het Liedboek voor de Kerken (1973), tweede couplet:

 

Arts aller zielen, ’t is genoeg, als Gij ons neemt in uw hoede.
Heel toch de wond, die ’t leven sloeg, laat ons niet hoop’loos verbloeden.
Spreek slechts één woord, één woord met macht, dan krijgt ons leven nieuwe kracht.
Spreek, dan keert alles ten goede.

 

Laat nu toch deze gebedskring figureren in Groen. Op Bid & Werk gaat het gesprek een keer over het gebed. Hij doet de suggestie om de gebedsgroep te bezoeken.

 

“Al vrijwel direct bleek dat er niet hand in hand gebeden werd bij gebedskring ‘Arts aller zielen’.  Maar veel gaf dat niet, aangezien zij toch niet naast me zat, maar aan de andere kant van de salontafel die midden in de kleine huiskamer stond. We lazen een kort schriftgedeelte en zongen een lied. Vervolgens droeg iedereen enkele gebedsthema’s aan waar we in een kring voor baden. Ik bad voor mijn heidense huisgenoten, herinner ik me. Wie zij in gebed gedacht weet ik niet meer: o jawel, de mensen uit haar vriendenkring die niet geloofden (waarmee ze natuurlijk bovenal het vriendje in gedachten had, al noemde ze hem dan niet bij name).” (36).

 

Aan het slot van het boek is hij ook zijn geloof kwijt. Ook daarover zegt Ruben van Luijk iets in het interview:

 

“Die strijd met het geloof zit diep. Volgens Jezus pleeg je al overspel als je een vrouw aanziet om haar te begeren. ‘Je kunt jezelf nog beter een oog uitsteken, dan met je hele lichaam ter helle varen’, zo staat het in de bijbel. De hoofdpersoon van mijn boek wordt geconfronteerd met dit dilemma en gaat zich gaandeweg afvragen wat nou echt belangrijk is in het leven. Waar draait het uiteindelijk om? Wil je een ‘levende relatie met Jezus’ of samen zijn met een meisje?”

 

Tot ons vertrek uit Rotterdam (februari 2006) heb ik de gebedskring geleid. Ik kan me Ruben niet herinneren of iets van dien aard. Het doet er ook niet toe. Wat bij me blijft haken is de combinatie van een afgewezen jongen en een afgewezen Heer. Veel dilemma of strijd om het geloof te behouden kom ik niet tegen in het verhaal. In feite behandelt hij geloof en kerk net als meisjes en vrouwen: zelfzuchtig en oppervlakkig.

 

“Met mijn godsdienstige toestand ging het ondertussen van kwaad tot erger. Het was niet zozeer dat de christelijke geloofswaarden me opeens allemaal onwaarschijnlijk leken. Maar ik had welbewust besloten om Jezus links te laten liggen, en had daar volstrekt geen spijt van: integendeel ik had het morgen weer gedaan.” (123-124).

 

Op één punt moet ik hem gelijk geven: net als bij vrouwen gaat het bij het geloof om personen en relaties. Het meisje kiest na alles voor haar vriend en schrijft:

 

“Ik ga niet vragen hoe het met jou gaat, ik heb nl. geen behoefte aan contact met je. Maar ik wens je het beste = God’s zegen, toe.” (125).

 

Ik vraag me dan toch af: wat zou Jezus hebben gedacht toen hij Rubens afwijzing binnenkreeg?

 

Naar aanleiding van: Ruben van Luijk, Groen. Rotterdam: Nadorst, 2009
Het interview met Ruben over Groen, klik hier.

 

 

Een gedachte over “Arts aller zielen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *